Manwerk - www.hondensport.de

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Manwerk

Onderwerpen

Manwerk/pakwerk


10.1 De gekozen opzet van dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk het manwerk zal in verschillende blokken verdeeld zijn.


-Het eerste blok behandeld de theorie achter het manwerk. Het behandelt de kynethologische wetten bij het manwerk.


-Het tweede blok beschrijft hoe de pakwerker deze theorie in de praktijk moet invullen. Het beschrijft hoe hij de hond mentaal kan laten groeien zodat geen enkel gevecht meet een pakwerker de hond te veel is.


-In het derde blok wordt gesproken over de rol van de instructeur. Hij stuurt zowel de pakwerker als ook de geleider aan. Beschreven wordt hoe de geleider een positieve factor wordt voor de hond gedurende het manwerk.

Ook wordt in dit derde blok gesproken over het werken naar een situatie waarbij de hond gestabiliseerd zal worden in een werkgedrag zoals we die wensen. Deze situatie is aangeduid met de term complete harmoniering.



-Het vierde blok zal hoofdzakelijk gaan over de praktische uitvoering van het geheel. Hierbij zal dan ook het aanleren van het programma aan bod komen.



Deze opzet met de genoemde blokken is misschien niet ideaal. Dit omdat men uiteraard bij de opbouw van de hond continue met al genoemde feiten in de verschillende blokken te maken heeft. Maar om enig inzicht te krijgen en het overzicht te behouden over de verschillende aspecten die meespelen bij het manwerk, is er gekozen voor deze opzet.



10.2 Manwerk, theorie en de praktijk



*Het probleem van theorie en de praktijk.

Kynethologische kennis (gedragsleer van de hond) kan heel nuttig zijn, het geeft een beeld van waarmee we te maken hebben bij de africhting van onze hond. Want africhten van een hond is het manipuleren van zijn driften. Maar bij dit manipuleren krijgen we te maken met heel wat problemen. Zo is het "mengsel" van alle driften die een hond bezit voor elke hond anders van samenstelling, m.a.w. een bepaalde drift is bij iedere hond verschillend in intensi­teit aanwezig. Daar komt dan nog bij dat drift, instinct, hormonen huishouding, zenuwgesteldheid, milieu (inclusief de geleider!) etc elkaar beïnvloeden. Dit alles maakt dat een mooi theoretisch verhaal in de praktijk niet eenvoudig in te vullen is bij de africhting van de hond. Dit geldt zeker bij de opbouw van het manwerk, waarbij van hond en geleider het meest gevraagd wordt om uiteindelijk een goed eindresultaat te bereiken.

Het nu volgende verhaal is niet zaligmakend maar een poging een visie op deze complexe materie zo duidelijk mogelijk op papier te zetten. De gebruikte benamingen voor de verschillende driften, en zeker hun definitie en hun onderlinge verband, zijn nog steeds een discussie. Maar de nu volgende theorie, die bij mijn weten voor het eerst in 1979 uiteen is gezet door Helmut Raiser in zijn boek Der Schutzhund, zal dicht bij de waarheid liggen en daarom goed bruikbaar moeten zijn voor het bereiken van een maximaal rendement uit de trainingen. Helmut Raiser combineerde in dit boek jaren van eigen ervaringen met de studies van grootheden als Hediger, Lorenz, Most en Trummler.


10.3 De theorie achter het manwerk


10.3.1 Kynethologische uiteenzetting

Het nu volgende deel van deze uiteenzetting heeft ten doel kynethologisch te verklaren waar we mee te maken hebben bij het manwerk.

De driften waar we mee te maken hebben bij het manwerk zijn buitdrift en agressiedrift. Het is goed om te weten welke gedragingen activering van deze driften te weeg brengen, m.a.w. wat de motivaties/de doelen/de achtergronden zijn van de gedragingen van de hond.

De specifieke drift die de hond moet gaan gebruiken bij het manwerk wordt vaak beschreven in het begrip vechtdrift.

Een jonge hond op een perfecte manier bewerken, zodat we een uitgesproken vechtdrift bereiken is wat wij hondensportliefhebbers moeten bewerkstelligen.


-Buitdrift, het actieve en het reactieve gebied van de agressie­drift en het vermijdgedrag.                 

10.3.1.1 BUIT­DRIFT

Is de drift die voort­komt uit het willen bemachtigen van voedsel (=buit). Bij de hond zien wij dit gedrag o.a. terug bij het opjagen, het grijpen en dood schudden, het apporte­ren en het opspeuren van buit.

Deze drift is onder­hevig aan een prikkel- of actievermoeid­heid.

10.3.1.2 ACTIEVE GEBIED VAN DE AGRESSIEDRIFT

Is altijd een intraspecifieke agressie. Intraspecifieke agressie is een sociale agressiviteit (=binnen de leefgemeenschap) en dan uitsluitend ten gevolge van concurrentie. Deze concurrentieobjecten bestaan naast gedeeltes van het onbeleefde en beleefde milieu (woongebied, paargebied, voedselverdediging, schuilplaatsen etc), ook uit soortgenoten (vooral seksuele partners). Intraspecifieke agressie wordt geactiveerd door rivalen (=concurrenten) en door "asociaal" of "unfair" gedrag. Het driftdoel van de sociale agressie is tot vluchten, uitwijken of onderwer­ping te brengen, en daarmee psychisch beschadigen, of het doden van de concurrent.

Deze drift is onderhevig aan een prikkel- of actievermoeidheid. Het kan dus zijn dat deze prikkels op een bepaald moment niet meer doorkomen.

Het is goed om te weten dat de sociale agressiviteit pas rond een leeftijd van twee-drie jaar goed op te roepen is en soms zelfs pas op een leeftijd van vier jaar volledig gerijpt is. Dit in de natuur (bij de wolf) de leeftijd, dat het dier zich echt gaat bemoeien met de rangorde strijd binnen de roedel. Daarvoor heeft hij dus de actieve agressie niet nodig.


10.3.1.3 REACTIEVE GEBIED VAN DE AGRESSIEDRIFT

Het reactieve gebied is de verdedigingsdrift. De voornaamste prikkels die deze verdedigingsdrift activeert zijn bedreigingen van fysische of psychische aard en\of daadwerkelijke agres­sie. Deze bedreigingen en\of de daadwerkelijke agressie zijn dan gericht op het geprikkelde individu zelf. Het drift­doel dat de hond met dit verde­digingsgedrag altijd wil berei­ken is vluchtgedrag tot stand brengen bij diegene die hem bedreigt.

Deze drift is niet onderhevig aan specifieke prikkel- of actievermoeidheid en kan dus voortdurend geactiveerd worden. Daarom moet de verdedigingsdrift een onderdeel zijn van het gebruikte vechtgedrag van een verdedigingshond (sprekende over de verdedigingsdrift bij een verdedigingshond bedoelen wij eigenlijk altijd het verdedigingsgedrag: het scherp reageren, dat dus bovenkomt ten gevolge van prikkeling in de verdedigingsdrift). De hond prikkelen in zijn verdedigingsdrift brengt wel met zich mee dat ook vermijdgedrag opgeroepen kan worden.



10.3.1.4 (ACTIEF)VERMIJDGEDRAG

Vermijdgedrag wordt zichtbaar als de hond geprikkeld wordt in zijn verdedigingsdrift maar de hond niet, of niet meer de overtuiging heeft als winnaar uit de ontstane situatie te kunnen komen. Het is het verdedigen van het lichaam d.m.v. het vermijden en in een extreem geval d.m.v. vluchten en als dat niet kan d.m.v. angstagressie.

De motivatie\de prikkel die tot vermijdgedrag kan leiden, kan men ook verklaren door te zeggen dat er vlucht- en (angst)verdedigingszones gecreëerd zijn. Ieder dier (dus ook een hond) vlucht voor een sterkere tegenstander, zodra deze tegenstander over een bepaalde afstandsgrens komt. En andere formulering hiervoor: de biologische vijand overschrijdt een kritische afstand, treedt daardoor de vluchtzone binnen van het dier, wat voor het dier de motivatie is om te vluchten. Kan het dier niet vluchten of wordt het achterna gezeten door de tegenstander en ingehaald dan zal door tegenstander de grens van de (angst)verdedigingszone overschreden worden. Let wel, de verdediging die het dier dan inzet moet gezien worden als en “vlucht naar voren”, m.a.w. wat het dier toont is zuivere angstagressie(=een aanval met de moed der wanhoop).

Het moet hiermee duidelijk zijn dat gedurende het manwerk de hond de pakwerker niet moet gaan zien als een te sterkere tegenstander of een persoon waar hij respect voor moet hebben. Dergelijke vlucht- en (angst)verdedigingszones mogen niet gecreëerd worden.

Bij de ene hond zijn deze zones eerder gecreëerd dan bij de andere. Dit heeft te maken met de prikkeldrempels die een hond heeft. Deze prikkeldrempel moet overschreden worden om een bepaald gedrag te activeren. Elk specifiek gedrag kent een onderste prikkeldrempel en een bovenste prikkeldrempel. De onderste prikkeldrempel is de minimale hoeveelheid prikkel die minimaal nodig is om het gedrag actief te krijgen. De bovenste prikkeldrempel is de maximale prikkel die een hond kan verdragen om het gedrag staande te houden. Overschrijdt men deze grens, dan overschrijdt de onderste prikkeldrempel van een ander gedrag.

Dit geldt ook voor de verdedigingsdrift. Een bepaalde hond heeft een bepaalde onderste prikkeldrempel die overschreden moet worden met prikkels, zodat de hond gaat reageren met verdedigingsgedrag. Worden de prikkels zo sterk dat de bovenste prikkeldrempel overschreden wordt, dan overschrijdt men de onderste prikkelgrens van vermijdgedrag en openbaard zich dus vermijdgedrag. En zoals hiervoor al beschreven kan men uiteindelijk eindigen met de hond in angstagressie.

Het is daarom ook niet gewenst dat een hond een lage bovenste verdedigingsprikkeldrempel heeft. Immers hoe lager de bovenste verdedigingsprikkeldrempel, hoe eerder men ook de onderste vermijdprikkeldrempel kan overschrijden. Wat wij nodig hebben is een hond met onder andere veel verdedigingsdrift (waarom dit hierover zo dadelijk meer) maar daarbij een zodanige sterk zenuwgestel dat zijn bovenste verdedigingsprikkeldrempel niet te snel overschreden zal worden.


10.3.1.5 PASSIEF VERMIJDGEDRAG

Als er gesproken wordt over vermijdgedrag wordt vrijwel altijd gesproken over het natuurlijke actief vermijdgedrag zoals dat hiervoor beschreven is. Men kent echter in de africhtingsport ook de term passief vermijdgedrag. Men bedoeld dan dat de hond door middel van appèl is opgelegd geen activiteit (meer) te vertonen. Men moet bij het manwerk dan denken aan het lossen op commando, het rustig blijven liggen als gedurende de training de pakwerker de mouw die voor de hond ligt oppakt etc. Het mag duidelijk zijn dat dit niets met het eerdere beschreven actief vermijdgedrag te maken heeft. Een correct en ontspannen passief vermijdgedrag is, in tegenstelling tot het actief vermijdgedrag, een gewenst gedrag. Een ontspannen passief vermijdgedrag bij de hond duidt op een zelfverzekerde hond!

Voor alle duidelijkheid, als ik in dit werkstuk spreek over vermijdgedrag bedoel ik het actief vermijdgedrag, tenzij ik duidelijk vermeld dat het passief vermijdgedrag betreft.


10.3.1.6 DE VECHTDRIFT

De driften die de hond moet gaan gebruiken en de wijze waarop hij ze moet gaan gebruiken om gewenst gedrag bij het manwerk te verkrijgen wordt vaak beschreven in het begrip vechtdrift. Het is een feit dat een goed opgebouwde vechtdrift de hond de mentale overtuiging geeft gedurende het manwerk het altijd van de pakwerker te kunnen winnen, ongeacht waar hij is of wat er ook gebeurt! Hoewel vechtdrift als een zelfstandige drift omstreden is (daarom zou men niet mogen spreken over aanwezige vechtdrift maar over een gecreëerd vechtgedrag), is dit begrip in ieder geval goed bruikbaar voor de theorie betreffende de te activeren driften bij het manwerk. Het is een niet complete maar minder complexe weergaven van de feiten, en doordat het minder complex is, begrijpelijker toe te passen in de praktijk. Maar in werkelijkheid is het zo dat de vechtdrift verkregen is door samensmelting van de buitdrift met de agressiedrift.


Hoe moeten wij in theorie de vechtdrift bewerkstelligen.

De kunst is de hond zo op te bouwen dat deze uiteindelijk ook met zijn verdedigingsdrift te werk gaat. Immers de verdedigingsdrift is niet onderhevig aan een specifieke prikkel- of actievermoeidheid. De hond zal dan dus geactiveerd blijven als men met hem aan het werk is. Tevens is de verdedigingsdrift dus een onderdeel van de noodzakelijke te creëren vechtdrift. Echter is er geen technische perfectie te bereiken, indien men bij aanvang met de opbouw van het manwerk gebruik gaat maken van de verdedigingsdrift van de hond. Dit komt o.a. omdat gedurende het prikkelen van de verdedigingsdrift altijd het grote gevaar blijft bestaan dat ook vermijdgedrag opgeroepen wordt. Tevens is het zo dat het gevaar bestaat de hond op den duur totaal "afbrand", indien men alleen maar gebruik blijft maken van de verdedi­gingsdrift. Om deze redenen behoort men bij aanvang van de opbouw van het manwerk alleen maar gebruik te maken van de buitdrift van de hond.



Het werken met de buitdrift heeft belangrijke voordelen.

   -Er wordt geen vermijdgedrag op geroepen.

   -Men heeft de mogelijkheid de hond een goede beet aan te leren.

   -De aanvalsoefening (stellen) wordt door de buitdrift "feller/explosiever" uitgevoerd.

   -Men kan de hond zijn buitdrift bevredigen door  bijvoorbeeld de mouw te laten winnen of de mouw "dood" te houden.

    Dit heeft dan tot gevolg dat de hond meer zelfvertrouwen krijgt.

   -En zoals al eerder genoemd, het programma is technisch perfecter aan te leren.


Echter heeft het alleen maar blijven werken met de buitdrift dus ook een na­deel. Er treedt vermoeidheid op, d.w.z. de drift wordt minder inten­sief. Als de hond het programma helemaal aange­leerd zou worden met alleen maar gebruikmaking van de buit­drift dan kan de hond op den duur te passief worden en is er geen vechtdrift te creëren.

Daarom moet de hond geleerd worden dat zijn inzet van verdedigingsgedrag zijn uitweg vindt in een bevrediging van zijn buitdrift, m.a.w. er moet kanalisering van verdedigingsgedrag in buit­drift plaatsvinden. De vechtdrift heeft dan zijn vorming gekregen. De hond ziet de pakwerker dan niet meer als de motor achter en buit spelletje voor een mouw, maar de pakwerker persoonlijk is een vechtpartner geworden! Uiteraard moet gedoseerd en in verschillende opbouwfasen naar toe gewerkt worden. In deze verschillende opbouwfasen wordt dus gebruik gemaakt van zowel de buitdrift als de verdedigingsdrift. Alleen is er uiteindelijk een fundamenteel verschil tussen de aanleiding van de hond waarom hij bijt (de motivatie voor de allereerste beet).


10.3.2 De kanalisering van het verdedigingsgedrag in buitdrift


Kynethologisch verklaard vindt het volgende plaats.

Specifieke driftenergie wordt opgestuwd en vind zijn uitweg in een natuurlijke, totaal niet bij de situatie passende handeling. Deze handeling dient dan als een ontlastingsreactie. Dit noemt men ook wel kunstmatige oversprong.


In de praktijk ziet de eindfase van de kanalisering er als volgt uit.

De hond wordt door de pakwerker geprikkeld in zijn verdedigingsdrift doordat de pakwerker hem dreigt, schijnaanvallen doet en hem daadwerkelijk aanvalt, alvorens hij hem laat inbijten op de mouw en daarna laat winnen. De specifieke driftenergie "verdedigingsdrift" wordt dus "opgehoopt/opgespaard" door de hiervoor genoemde acties van de pakwerker en vloeien weg d.m.v. een kunstmatige oversprong wat hier het laten inbijten op de mouw is en hem buit te laten maken.


Om deze eindfase van de kanalisering het gewenste resultaat te laten krijgen moet de hond degelijk naar dit moment opgebouwd worden.

Belangrijk hierbij is dat de hond eerst geleerd wordt, dat wanneer hij zich bij het manwerk in een stress situatie bevindt, zelf het initiatief moet nemen om voor hem zelf een bevredigde situatie in buitdrift te bewerkstelligen. Dit leren van initiatieven nemen is een wezenlijk deel van de noodzakelijke driftontwikkeling en het leren omgaan met zijn eigen driften. De hond wordt hierbij namelijk geleerd om te kunnen schakelen van het gebruik van de ene drift naar het gebruik van een andere drift. Dit dus om een bepaald doel voor hem bereikbaar te maken, namelijk buitdriftbevrediging.

De aanvang van het aanleren om zelf het initiatief te nemen wordt in de praktijk uitgevoerd gedurende driftstimulatie oefeningen. Bij deze driftstimulatie oefeningen zal het initiatief in het begin nog liggen bij de pakwerker. Want uiteraard moet de jonge hond eerst leren waar wij mee bezig zijn. Zodra de hond gedurende deze oefeningen in een gewenste drift te brengen is, gaat men het initiatief verleggen naar de hond. D.w.z. dat de hond geleerd wordt dat hij het initiatief kan nemen om de pakwerker op te hitsen zodat er actie komt en hij buit kan maken!

Het vervolg van de opbouw is de hond te leren om te gaan met contrareacties van de pakwerker.

Deze contrareactie van de pakwerker zal gericht zijn op de gemaakte buit van de hond. De hond zit dus in zijn buitdrift omdat hij buit heeft gemaakt, door de contrareactie van de pakwerker moet hij omschakelen naar zijn verdedigingsdrift. Als hij van zijn verdedigingsdrift inzet mag hij weer buitmaken. Feitelijk heeft dan dus de eerste fase van kanalisering van het verdedigingsgedrag in buitdrift plaatsgevonden.

De contrareacties moeten steeds belastender voor de hond uitgevoerd worden. De intensiteit van de te gebruiken driften waarmee deze worden ingezet door de hond zal hierdoor steeds groter worden.

Uiteindelijk komt men in de eindfase waarbij dus de hond zonder zichtbare buit wordt aangevallen door de pakwerker en bij een goede inzet van verdedigingsgedrag mag buitmaken. Zijn agressiedrift is dan zodanig gesterkt dat de hond weet dat hij de pakwerker kan verslaan en domineren.

*Met welke honden krijgen we in de praktijk deze kanalisering voor elkaar en bij welke niet.


Het probleem in de africhting is dat we met veel verschillenden type honden te maken krijgen en elke type hond zijn eigen ideale opbouw methode heeft. Een brede uiteenzetting over type honden is reeds geschreven in het hoofdstuk "Type hond waarmee we werken" van dit boek. Echter heel zwart-wit gezien zou men kunnen zeggen dat er twee bruikbare type honden bestaan voor de africhting.

Het eerste type is een jonge hond met een uitgesproken ­buitdrift en verdedigingsdrift en mentaal zo sterk dat hij zijn bezit van veel driften goed weet te verwerken. De meest ideale hond dus om met de opbouw van het manwerk van start te gaan waarbij men de kanalisering wil gaan toepassen tot het verkrijgen van een goede vechtdrift.

Het andere type is de hond met zeer veel buitdrift, maar waarbij de verdedigingsdrift niet op te roepen is. Bij deze honden is de kanalisering dus niet mogelijk en moet men anders te werk gaan. Dit type hond moet men over een periode van vijftien à achttien maanden helemaal "buitdriftgek" maken! Men moet d.m.v. de buitdrift een speelse vechtlust krijgen en de hond moet de pakwerker zien als een concurrent die hij kan domineren. Na deze vijftien à achttien maanden gaat men de hond blokkeren in zijn drift, d.w.z. de hond mag niet gelijk inbijten (Men zou bijvoor­beeld de hond kunnen revieren en met een lange lijn van de pakwerker afhouden). Er ontstaat door het blokkeren een conflict, waardoor de hond actieve agressie gaat opbouwen. Hierbij is de taak van de geleider de hond duidelijk te maken wanneer wel/wanneer niet in te bijten. Deze honden zullen nu niet in de reactie­ve agressiedrift terugvallen en wordt er dus ook geen vermijdge­drag opgeroe­pen. Zoals al eerder gezegd is deze actieve agressiedrift pas op te roepen al de hond zo tegen de twee jaar oud is. Zou men met dit type hond op een leeftijd van circa twaalf maanden al beginnen met het aanleren van het programma, dan zal de werklust er uit gaan (buitdrift heeft driftvermoeidheid). Door nu ook gebruik te maken van actieve agressie behoud men meer werklust.


Als beide type honden zijn opgeleid, dan kan hun werkgedrag ongeveer het zelfde uit zien. Echter de opbouw was dus duidelijk an­ders.

Maar zoals hiervoor al aangegeven, veel honden zitten ergens met hun karakter ergens tussen deze twee type honden in en dit maakt het moeilijk het juiste leerproces te vinden. Belangrijk is daarom de volgende stelregels aan te houden.


-Elke jonge hond behoort eerst de gewenste techniek van het bijtwerk aangeleerd te worden. Met andere woorden, de hond moet duidelijk gemaakt worden dat hij zodanig moet handelen dat hij altijd in het midden van de bijtmouw inbijt.


-Het is de aanleg van de jonge hond die verder bepaald wat er gebeurt gedurende de opbouw van het manwerk. Deze aanleg is o.a. afhankelijk van de mengverhouding buitdrift: verdedigingsdrift en deze mengverhouding is voor elke hond weer anders. Daarom zal elke hond zijn eigen specifieke opbouw moeten hebben.

-Hierbij moet een goed ontwikkelde driftopbouw de basis vormen, de fundering zijn, waarop het aanleren of het aangeleerde programma op rust. Is deze fundering zwak dan stort het resultaat uiteindelijk in. Anders geformuleerd. Het aan te leren of aangeleerde appèl bij het manwerk moet gedragen kunnen worden door de driftinhoud waarin de hond zich op dat moment bevindt.



In dit werkstuk ga ik er vanuit dat we een hond gaan opbouwen die een behoorlijke dosis aan buitdrift en verdedigings­drift bij zich draagt met daarbij een sterk zenuwgestel. Want dat is toch het type hond waar we in de africhting het liefst mee te maken hebben.




10.4 Sociale agressie is het meest wezenlijke!



Zoals al hiervoor beschreven behoort men, al maken we gebruik van het minder com­plexe begrip vechtdrift, het ver­schil tussen de inzet van buitdrift, de inzet van het actief gedeelte van de agressiedrift of de inzet van het reactief gedeelte van de agressiedrift door de hond te herkennen. Dit omdat men mag niet vergeten dat het meest wezenlijke wat een goede inzet van driften bepaalt, het feit is dat de hond uiteindelijk ook het actieve gebied, de sociale agressiviteit dus, van de agressiedrift inzet (dit dus naast of in plaats van de buitdrift). De hond behoort dus de pakwerker als concurrent te zien. Echter zal het zo zijn dat het concurrentieobject in de verschillende levensfasen van de hond anders is.



- Het kan de buit (mouw) zijn, daarom ook is bij alle vecht sterke jonge honden een uitgesproken buitdrift bepalend.



- De hond wil de pakwerker onderwerpen omdat deze altijd weer als bedreiger optreedt. De hond is dus dominant. Anders gezegd, er zijn sociale motieven die zijn actieve (sociale) agressiviteit aanspreken.



Op grond dit laatste is het ook duidelijk waarom eenjarige honden nog geen volledig ontwikkeld pakket "pakwerkersdrift" kunnen hebben, want zowel het actieve gebied van de agressiedrift, als ook de verdedigingsdrift (is dus het reactieve gebied van de agressiedrift) pas laat tot rijping komen, daar het zelfbewustzijn zich pas ontwikkelt in de loop van het volwas­sen worden. Het goed stimuleren van de ontwikkeling is echter wel een noodzakelijk voorwaarde voor een uiteindelijke werkelijke gewenste vechtdrift met gebruikmaking van de gehele agressiedrift en de buitdrift. Ontwikkelen is dus een must, maar ook de genetische aanwezigheid van de noodzakelijke driften is een must. Want iets wat genetisch niet aanwezig is kan niet ontwikkeld worden.





10.5 Specifiek voor de pakwerker noodzakelijke theoretische kennis



Het is de zorg van de pakwerker gedurende het manwerk altijd de juiste driften bij de hond aan te spreken. Zijn taak bij de opbouw van de hond bij het man­werk bestaat o.a. uit de volgende pun­ten:





     10.5.1 Het oproepen en versterken van de buitdrift (buitdrift stimulatie) en het initiatief gaan verleggen van pakwerker naar hond.



     10.5.2 Vervolgens ook de verdedigingsdrift oproepen en versterken d.m.v. contrareacties.



     10.5.3 Eindfase van de kanalisering van verdedigingsgedrag in buitdrift ten uitvoer brengen.



Bovendien moet daarnaast de geleider bij het manwerk d.m.v. het zogenaamde harmoniëren een positieve factor worden voor de hond en moet het programma worden aangeleerd. Het harmoniëren en het aanleren van het programma worden verderop in dit hoofdstuk behandeld.


De genoemde punten A, B en C zullen nu wat nader belicht worden.




10.5.1 Buitdrift stimulatie en de hond leren het initiatief te gaan nemen


Bij een jonge hond moet dus eerst de buitdrift opgeroepen en versterkt worden. Indien de geleider en pakwerker de nodige kennis van zaken hebben v.w.b. de opbouw van het manwerk, kan met een acht weken oude hond die geschikt is voor de africhtingsport hieraan al begonnen worden! Een ervaren geleider kan zonder meer ook thuis buitdrift stimulerende activiteiten met zijn hond ondernemen. Feitelijk socialiseer je dan de hond op bijtwerk, wat uiteindelijk zijn vruchten zal gaan afwerpen.

Men kan in een vroeg stadium ook al gebruik gaan maken van een zweep. Dit socialiseert de jonge hond niet alleen op harde geluiden maar kan ook nuttig zijn voor een goede driftontwikkeling. Buitdrift ontwikkeling door de geleider uitgevoerd met zijn eigen hond kent geen enkel bezwaar, maar het mag duidelijk zijn dat het door de geleider gaan prikkelen van zijn eigen hond in verdedigingsdrift geen enkele logica kan bevatten.

Hiervoor in deze uiteenzetting is al aangegeven dat buitdrift onderhevig is aan "vermoeidheid". Daarom mag de hond niet vlak voor het manwerk al op het veld wat rondhangen of zomaar wat met de zak/rol/mouw etc. spelen, maar moet de pakwerker klaarstaan als de hond op het veld komt en gelijk tot actie overgaan. Lange discussies gedurende het manwerk tussen geleider, pakwerker en instructeur is om deze zelfde reden ook uit ten boze. De hond na het winnen wat doelloos in zijn eentje rond laten lopen met de buit (=zak, rol, mouw etc) is ook geen goede zaak. Als de hond na het winnen de buit heeft laten vallen of afgegeven dient de pak­werker gelijk weer tot actie over te gaan. De hond behoort onder spanning te blijven staan. Een directe actie na het afgeven van de buit is tevens van belang om te voorkomen dat door het af moeten geven van de buit de hond zijn geleider gaat zien als iemand die tevens in competitie is voor de buit. Dit mag uiteraard niet gebeuren. De hond moet zijn geleider zien als steun in de competitie tegen de pakwerker. Later kom ik terug op de werkwijze van de geleider bij het lossen van de buit.



Wat we dus willen bereiken is een speelse vechtlust bij de hond. Eventuele door de jonge hond nu ingezette verdedigingsdrift moet nu nog worden afgeleerd, dit om vermijdgedrag te voorkomen. Dit kan de pakwerker doen door de buit veel te bewegen en altijd langs, of van de hond af te laten bewegen voordat de hond mag inbijten. De theorie hierachter is: bij achtervolging en het behalen van de buit wordt de hond nimmer voor de keus gesteld eventueel iets anders te doen dan achtervolgen. Wordt de verdedigingsdrift ook aangesproken ontstaat voor de hond ook de keus van verdedigen of vluchten. De buit kan aan een touw bevestigd worden zodat de pakwerker deze langs de hond heen kan gooien, wat de stimulans richting buit ver­sterkt en dus reac­ties richting pakwerker onderdrukt. Het laten inbijten mag pas geschieden als bij de hond de juiste driften worden aange­sproken. Wanneer de hond de lijn strak trekt geeft hij aan in buitdrift geactiveerd te zijn (zo dadelijk hierover meer). Uit de lichaams­taal van de hond behoort men ook te her­kennen op welke wijze men driften bij de hond aan­ spreekt. De bovenste twee tekeningen van de nu volgende af­beelding laten de hond met een zelfverzekerd gedrag zien. De hond toont dus geen angst­ en is gefixeerd op de buit. De onderste twee teke­ningen laten de hond in verdedigingsdrift zien, waarbij men in dit geval kan waarnemen aan de ontblote kiezen, de oorstand en staartdracht dat de hond onzeker is. Deze hond zal de dreiging tonen tegen de pakwerker maar zal snel in vermijdgedrag gebracht kunnen worden. Ver­mijdgedrag is o.a. al te her­kennen aan zeer klei­ne terugtrekkende en of ontwijkende bewegingen van de hond.


Ook de manier van blaffen geeft een indicatie in welke gemoedstoestand de hond zich bevindt. Gaan snuffelen op de grond of desinteresse kan duiden op aanwezigheid van vermijdgedrag. Als gedurende het bijtwerk de hond onrustig wordt in zijn beet duidt dit aan dat men de grenzen van de belastbaarheid al overschreden heeft.

Op het moment van inbijten moet de buit zich van de hond af bewegen. Vergeet nimmer, werken in buitdrift betekent dat de buit (mouw/rol) zich altijd van de hond weg beweegt. Na het inbijten wordt de buit door de pakwerker in "buitpositie "gehouden worden ("buitpositie" is hond en buit achter de pakwerker, "verdedigingspositie" is buit en hond recht voor de pakwerker gebracht). Uiter­aard behoort de pakwerker geen dreiging te geven en hierdoor mogelijk vermijdgedrag op te roepen. De pakwerker mag nooit passief reageren op agressief gedrag van de hond (dreigen, blaffen, uitvallen etc.), maar moet zich beïndrukt tonen door het gedrag van de hond. Belangrijk is ook de manier van gebruik van een lijn waar de hond aan vast zit. Als men gedu­rende "het gevecht" de lijn laat doorhangen is men niet bezig de buitdrift van de hond te versterken, maar roept men zijn verdedigingsdrift op. Buitdrift stimulatie geschiedt dus met een strakke lijn. Anders geformuleerd: strakke lijn geeft de hond steun, bij een door hangende lijn is de hond op zichzelf aangewezen. Dit is een belangrijk punt in de opbouw om te onthouden!


Daar de hond snel geleerd moet worden omhoog te komen bij het inbijten, moet de pakwerker snel beginnen met het op buik of borst hoogte houden van de buit.


Een punt van aandacht dat nodig kan zijn bij het werken met de hond in “buitpositie” maar zich ook in andere situaties voor kan doen is het volgende.

Als men een hond de gelegenheid geeft gedurende het bijten, met de voorpoten tegen/op het lichaam van de pakwerker te laten rusten wordt de spanning op de bek/beet minder. Dit kan voor de hond de aanleiding zijn onrustig te worden (verhappen etc) op de mouw. Door de voorpoten dus van het lichaam van de pakwerker te houden zou dus een onrustige beet, die dan een gevolg zou moeten zijn van te weinig spanning op de bek/beet, verbetert/voorkomen kunnen worden. Een gewoonte of een neiging van de hond om zijn voorpoten te gebruiken tegen het lichaam van de pakwerker kan men corrigeren door de pakwerker met zijn stok tegen de voorpoten van de hond te laten tikken en wel zodanig dat de hond zijn voorpoten intrekt. Daarbij kan de pakwerker een beweging maken met zijn lichaam dat de poten nog sneller/gemakkelijker  los komen. Daarnaast kan op het zelfde moment een strakke lijn een extra hulpmiddel zijn om nog wat meer spanning op de bek/beet te houden als daar behoefte aan is. Bij het tikken op de voorpoten door de pakwerker moet men uiteraard rekening houden met de belastbaarheid van de hond.


Er zijn honden die bewust op de elleboog of de punt van de mouw inbijten. Dit kan mogelijk twee oorzaken hebben. Of ze zoeken bewust de zachtste gedeelten op van de mouw of het komt van een bepaalde onzekerheid.

Is het een kwestie van gewenning aan de hardheid van de mouw dan kan me sterke zachte gladde doorzichtige plastic opzetstukken op de punt en elleboog van de mouw bevestigen. Deze opzetstukken dwingen de hond in het midden van de mouw te bijten daar op de elleboog en punt geen grip is. De opzetstukken behoren sterk te zijn zodat ze bij een verkeerde inbeet niet gelijk kapot zijn. Ze behoren niet van zeer hard materiaal te zijn om het afbreken van tanden te voorkomen, glad zodat de hond geen grip kan maken op deze plaatsen en doorzichtig om het verschil met een gewone overtrek niet al te groot te maken.

Komt het niet midden op de mouw bijten vanuit een onzekerheid dan behoort men deze onzekerheid d.m.v. correcte training weg te nemen.  De reden hiervoor is dat men bij het oplossen van problemen de oorzaak moet aanpakken en niet de oplossing moet zoeken bij het bewerken van de symptomen, wat hier dus het niet midden inbijten van de mouw is. Het inzetten van opzetstukken is in dit geval echter niet verkeerd om een gewoontegedrag te voorkomen of weg te werken maar daarnaast moet dus de oorzaak van het probleem onder handen genomen worden.


Op het "doodschudden" van de buit (=het vechten om de buit!) moet gelijk ingespeeld worden. Doet men dit niet dan kan de hond hierdoor onzeker worden wat zich kan uiten in een onrus­tige beet. Ook op het bijbijten naar “vol” moet gereageerd worden. Het “doodschudden” en bijbijten is in feite een contra gedrag van de hond, ondanks dat we nog op de buitdrift werken. Kynethologisch kan men zeggen dat het volgende gebeurt. De buit pleegt in de ogen van de hond verzet\is nog niet “dood” en zullen er dus door hem maatregelen genomen moeten worden d.m.v. “doodschudden” en of bijbijten om toch buit te maken. Het nu goed reageren op contrareacties is noodzakelijk voor een goede driftopbouw. Dit inspelen doet de pakwerker door de hond te laten winnen of op zijn minst een “verslagen” lichaamshouding aan te nemen.

Contra reacties behoren nu al zomogelijk het enige motief te zijn om de hond de buit te laten winnen.

Heeft de hond de gewoonte druk met de buit te gaan schudden nadat hij gewonnen heeft, dan kan men een touw aan de buit bevestigen. Hiermee kan de pakwerker na het winnen wat spanning op de buit brengen zodat de hond wat makkelijker tot rust te brengen is. Deze rust is erg belangrijk om de consequentie er in te houden dat een inbeet in de buit altijd vol moet zijn en vol moet blijven. De hond moet dus ook leren na het winnen de buit vol vast te blijven houden.

Het rustig vasthouden van de buit na het winnen geeft aan dat de hond weet zijn rust te kunnen vinden in buitdrift. Hij geeft met deze rust aan, naar stresssituaties weer tot rust te kunnen komen.

Is een hond niet tot rust te brengen omdat deze te hoog in drift is gebracht is er maar één oplossing. De hond commando “AF” geven en alle driftprikkels verwijderen. Dit is gedurende het manwerk altijd het recept wanneer de controle verloren is gegaan of men niet meer “door” kan komen bij de hond als gevolg van te veel aanwezige drift! Vergeet nimmer, een hond te hoog in drift is niets te leren.


Zodra de hond door de pakwerker hoog in buitdrift te brengen is, gaat men het initiatief verleggen van de pakwerker naar de hond toe. Door deze oefeningen ook uit te voeren zonder buit, kan men zonder veel risico de hond zijn eerste lichte prikkels geven in zijn verdedigingsdrift. Wat het initiatief verleggen ook met zich mee brengt is het feit dat de hond gestimuleerd wordt in het aanblaffen van de pakwerker. De oefeningen kunnen er als volgt uitzien.

In eerste instantie zonder dat er buit bij betrokken is. De pakwerker is uit zicht als de hond op het veld komt. De pakwerker gaat in het zichtveld van de hond en blijft stil staan. Als de hond nu reageert d.m.v. aanblaffen van de pakwerker (=de hond hitst de pakwerker op) reageert de pakwerker d.m.v. bewegingen, zweepslagen e.d. en gaat vervolgens weer stil staan. Reageert de hond weer dan volgt de zelfde reactie door de pakwerker en vlucht uiteindelijk weg uit zicht van de hond.

Daarna kan men ook met buit gaan werken. Er volgt hierbij het zelfde ritueel als hiervoor beschreven waarbij, maar nu reageert de pakwerker niet alleen d.m.v. bewegingen e.d. maar laat de hond ook bijten en buitmaken.

De hond wordt dus steeds sterker gemotiveerd om het initiatief te nemen. Je kunt (moet) hierdoor uiteindelijk de situatie krijgen dat de hond juist actief begint aan te blaffen als de pakwerker stil staat en stil is en klaar staat om in te bijten als de pakwerker actie maakt. Dit zal straks ook zijn vruchten gaan afwerpen v.w.b. de bewaking gedurende het uitwerken van het programma op evenementen!

Nu zal dan ook in het vervolg het initiatief ook overgelaten worden aan de hond.

De eerste voorbereidingen voor het gaan geven van stokslagen kunnen nu al uitgevoerd worden. Dit geschiedt dan op het moment met de hond op de mouw, door de pakwerker in "verdedigingspositie" gehouden en de lijn op spanning, kan de pakwer­ker de hond over de kop aaien. Het aaien dient dan om eventuele onzekerheden tegenover de "slaande hand" te onderdrukken en is dus een voorbereiding op het later in de opbouw gaan geven van stokslagen.



10.5.2 Het oproepen en versterken van de verdedigingsdrift d.m.v. contrareacties


Indien de beet van de hond op de mouw vast en vol is en hij werkt sterk met zijn buitdrift, dan gaat men de hond gelei­delijk aan af en toe prikkelen in zijn verdedigingsdrift. Hierbij moet men altijd attent blijven dat er geen vermijdgedrag opgeroepen wordt.

Wordt de beet op de mouw te onrustig dan is men waarschijnlijk te vroeg begonnen met het gaan toepassen van contrareactie en moet men teruggaan in de opbouw en eerst verder gaan met buitdrift stimulatie.

De hond zal nu ongeveer tien maanden zijn. Het exacte tijdstip dat men de hond daadwerkelijk moet gaan bewerken in zijn verdedigingsdrift is moeilijk aan te geven. Een hond die heel veel buitdrift toont en sterk van karakter is, moet men eerder in zijn verdedigingsdrift gaan prikkelen. Dit om te voorkomen dat hij “vastgroeit”/”verankert” in zijn buitdrift en hierdoor in de problemen komt als zijn verdedigingsdrift wordt aangesproken. Een hond die snel in zijn verdedigingsdrift te prikkelen is moet men juist langer in zijn buitdrift bezig houden, dit om verval in vermijdgedrag te voorkomen.

In de regel is op deze leeftijd het vechten met “doodschudden” etc gemakkelijk aan te leren, maar sommige honden doen dit pas als ze circa vijftien maanden zijn.

De eerste ervaringen van de hond met contrareacties uitgevoerd door de pakwerker kunnen er als volgt uitzien. Op het moment van inbijten behoort de hond in zijn buitdrift te zijn. Men mag hierbij niet vergeten dat de hond het initiatief moet nemen de pakwerker op te hitsen. De pakwerker laat de hond de mouw winnen en houd de mouw onder spanning m.b.v. een lijn die aan de mouw bevestigd is. De lijn waaraan de hond bevestigd is wordt door de geleider ook op spanning gehouden. Voor het aanspreken van verdedigingsdrift kan nu o.a. een zweep goed van dienst komen. Het volgende kan plaats vinden. De pakwerker slaat nu zachtjes met het touwtje van de zweep onderhands tegen de voorpoten van de hond (=contrareactie pakwerker). Op dit moment laat de geleider de lijn die hij vast heeft doorhangen. Als de hond nu reageert d.m.v. trekken aan de mouw en of “doodschudden”, dan laat de pakwerker de lijn die hij vast heeft langzaam vieren, terwijl de geleider nu zijn hond vastpakt en braaft (=buitmaken). De eerste kanalisering van verdedigingsdrift in buitdrift heeft nu dus plaatsgevonden. Belangrijk is dat in deze fase de contrareactie altijd onderhands wordt uitgevoerd, dit om terugtrekkende bewegingen van de hond op stokdreigingen en dergelijke nu en later te voorkomen.

Deze vorm van contrareacties worden in het voorbij gaan van de weken\maanden geleidelijk aan gedoseerd heftiger en langduriger uitgevoerd. Ze worden dus steeds meer belastend voor de hond uitgevoerd. Buiten gebruik van de zweep kan daarbij bijvoorbeeld ook de stok gebruikt worden of kan de pakwerker zachtjes op de voorpoten van de hond trappen. De kanalisering wordt dus steeds intenser bij de hond opgebouwd.


De hond behoord dus geleidelijk aan steeds sterker geprikkeld te worden in zijn verdedigingsdrift. Variaties in de oefeningen moeten dan ook gaan plaatsvinden. Dit kan uiteindelijk bestaan uit het feit dat de pakwerker de hond stokstrijken en of stokslagen geeft, maar ook door bossen heen trekt, onderkaak van de hond op de knie drukt, de mouw schuin richting grond beweegt, door het publiek heen gaat, verstekken omsmijt, gebouwen in gaat etc. Door de hond gedurende het manwerk ook aan deze ongewoonlijke situaties te laten wennen, zal hij zeker geen moeite hebben met het "normaal" afwerken van een manwerk­programma op een examen en wedstrijd. Zo kan de hond ook belast worden met een grote stilte van de pakwerker gedurende het manwerk. M.­a.w. het achter­wege laten van geschreeuw door de pakwerker maar met wel veel lichamelij­ke dreiging, kan voor een hond een hoge belasting zijn. Het door de pakwerker opdrijven van een hond die op de mouw zit waarbij de pakwerker recht op de hond in gaat en dus de hond min of meer dreigt te overlopen kan het voor de hond lastig maken om te volharden in zijn werk.

Uiteraard moet dit allemaal gedoseerd worden toegepast aan het incasseringsver­mogen van de hond!!

Een nog andere bruikbare variatie is deze. Om de hond goed te kunnen bevredigen bij zijn ingezette verdedigingsdrift op het moment dat deze aangesproken wordt als hij in de mouw ingebeten heeft, kan men de hond bewust niet vol/spits laten bijten. Door de mouw nu vanuit “buitpositie” in "verdedigingspositie" te brengen, de spanning van de lijn te halen en de pakwerker nog ander contrareacties uit te laten uitvoeren, zal de hond in zijn verdedigingsdrift geactiveerd worden en daarom bijbijten en vechten. Indien de hond bijbijt en gaat vechten om de mouw wordt deze in "buitpositie" gebracht, "dood" gehouden en rustig heen en weer bewogen en of de hond mag de mouw winnen. De hond zal hiermee ook geleerd worden om bij te bijten wanneer hij eens niet vol in de mouw heeft kunnen inbijten gedurende het afwerken van het programma op een evenement.

Na kanalisering oefeningen moet er in deze fase altijd worden afgeslo­ten moet een buitdriftoefening om zodoende de hond goed te ontlasten van zijn drift.

Naar mate de opbouw op deze wijze vordert gaat de hond de pakwerker met heel andere ogen zien. Toen hij nog volledig in zijn buitdrift geprikkeld werd, zag hij de pakwerker als een speelvriend om een buit of die zijn buit wilde stelen. Nu hij ook steeds sterker in zijn verdedigingsdrift geprikkeld wordt, gaat hij de pakwerker heel anders beoordelen. De pakwerker zet hem onder druk, iets waar hij rekening mee moet gaan houden. De pakwerker is niet langer een buit die er vandoor gaat, maar nu met hem een gevecht aan gaat. Bij de hond wordt langzaam de vechtdrift gecreëerd en de hond werkende in zijn vechtdrift ziet de pakwerker als een vechtpartner!


Wat men vaak ziet dat de geleider de hond de mouw terug laat brengen naar de pakwerker met de bedoeling dat de pakwerker nog wat samen met de hond wat vriendelijk speelt met de mouw. Dit staat haaks op het geen wat we willen bereiken! De pakwerker is geen speelvriend meer maar een vechtpartner. Maar ook in de fase, dat men alleen nog maar met buitdriftontwikkeling bezig is, kan men dit terugbrengen beter achterwege laten. Dit om het aanleren van een vechtgedrag gemakkelijker te kunnen laten verlopen. Wel kan de geleider samen met zijn hond na het winnen van de mouw langs de pakwerker lopen en de pakwerker dan op dat moment nog een keer een contrareactie laten uitvoeren. Deze manier van handelen geeft kynethologisch een heel ander effect.


Wat betreft het gericht werken aan bepaalde driftontwikkelingen nog het volgende. Is de buitdrift bij de hond te gering dan moet men nadat de hond de mouw gewonnen heeft deze motiveren de mouw vast te blijven houden en te dragen. Is de verdedigingsdrift te gering dan moet men nadat de hond de mouw gewonnen heeft de mouw onmiddellijk doch rustig afnemen en behoort de pakwerker vervolgens de hond te prikkelen in zijn verdedigingsdrift.


Bij dit punt bespreek ik ook nog het de hond aanleren van het aan­blaffen van de pakwerker.

Dit gebeurt dwangmatig met gebruikmaking van de buitdrift. Men mag deze oefening dan ook pas gaan aanleren, als het stellen de hond goed afgaat. Zou de hond het aanblaffen geleerd worden in combinatie met een op de verdedigingsdrift gebaseerde beet, dan moet de tegenspeler van het verdedigingsgedrag = het vermijdgedrag, geactiveerd worden! Dit brengt voor de hond een grote zenuwbelasting met zich mee doordat er een driftconflict ontstaat. Dit zal tevens de leergierigheid van de hond verminderen. Bij gebruikmaking van de buitdrift bij het aanleren van het aanblaf­fen, wordt het aanblaffen een overspronggedrag. De hond leert dat dit de manier is zijn doel (de buitdrift te bevredigen) te bereiken. Dit geheel noemt men ook wel een instrumentale conditionering. Later of het aanblaffen meer.



10.5.3 De eindfase van de kanalisering van verdedigingsgedrag in buitdrift


Een Duitse Herdershond met een goede drift en belastingsvermogen is op dit moment zeker niet jonger dan zestien á achttien maanden oud.

De hond wordt nu door de pakwerker enkel en alleen geprikkeld in zijn verdedi­gingsdrift doordat de pakwerker hem dreigt, schijnaanvallen doet of hem daadwerkelijk aanvalt, al of niet m.b.v. een zweep. Hierbij draagt de pakwerker dus geen buit(=mouw) bij zich en draagt eventueel een "KNPV-pak". Bij een sterke reactie van de hond vlucht de pakwerker weg. De hond is dus wederom altijd de winnaar.

De oefening wordt afgesloten door een aanval van de pakwerker op de hond met de mouw op de rug. Bij een sterke reactie van de hond laat hij de hond vliegensvlug inbijten in de mouw en winnen. Dit is dus het kanaliseren.


Een bruikbare vechtdrift stimulatie is door de hond buitdriftbewaking uit te laten voeren. Dit kan er als volgt uitzien. De hond is aan de plaagpaal bevestigd en heeft de mouw gewonnen. De pakwerker voert nu een aanval uit op de hond. Wat men hierbij moet bereiken is dat de hond de mouw laat vallen en zich richt op de pakwerker. De pakwerker laat zich verjagen en de hond kan zich weer op zijn buit oriënteren. De inzet van de verdedigingsdrift vindt dus zijn beloning door buitbehoud. De gewenste vechtdrift is dus wederom gestimuleerd.

Een andere vechtdrift stimulatie kan er als volgt uitzien. De pakwerker heeft de mouw aangetrokken en stapt op de hond af die aan de plaagpaal zit. Hierbij geeft hij veel dreiging met de stok d.m.v. slaande bewegingen die uitgevoerd worden voor de mouw. Of de dreigingen komen van een zweepslag die tegen de voorpoten van de hond gericht zijn. De bedoeling is dat de hond door de dreiging heen gaat en buit maakt. Wederom kanalisering van verdedigingsgedrag in buitdrift.

Bij de uitvoering van deze vechtdrift stimulatie oefeningen volgens de hiervoor beschreven methoden zijn een aantal variaties op deze methoden denkbaar. Hierbij behoort de hond de pakwerker alleen nog maar als vechtpartner te zien en altijd als winnaar uit de bus te komen. Een hond bewerken in vechtdrift moet door de pakwerker niet gedaan worden d.m.v. veel bewegingen. Veel bewegingen roept buitdrift op. Deze fase van buitdriftontwikkeling is nu al lang voorbij.

Belangrijk om te weten is dat een gevecht in vechtdrift zomogelijk altijd kort en krachtig gehouden dient te worden. Te lang in gevecht blijven in vechtdrift kan de situatie creëren dat de hond terug valt in buitdrift. Dit terug vallen gebeurt omdat de hond zich dan prettig gaat voelen in de gegeven situatie, het gevecht valt dan terug in een buitdrift spelletje.



10.6 De rol van de instructeur - de opbouw van de geleider in het harmoniëren


We hebben tot nu toe bij dit hoofdstuk het manwerk eerst kunnen lezen waar we kynethologisch gezien te maken mee hebben. Daarna is de invulling hiervan door de pakwerker aan bod gekomen. Natuurlijk hebben we ook nog de rol van de instructeur. Hij is de eindverantwoordelij­ke voor de opbouw van een hond. Hij moet het inzicht hebben en het overzicht behouden. Hij bepaald wanneer overgestapt wordt naar een volgende fase in de opbouw van de hond. Daarmee is dit de reden dat de instructeur de pakwerker instructies geeft wat te doen. Daarnaast heeft de instructeur de taak de geleider zodanig te instrueren dat deze een positieve factor wordt voor de hond bij het manwerk.


Maar het mag duidelijk zijn dat heel de opbouw van een hond valt of staat met de kennis van africhting binnen het hele team dat bestaat uit: geleider, de pakwerker en de instructeur. Immers kunnen we met deze kennis de oorzaken van gedrag achterhalen/verklaren en door op de juiste manier er op te reageren de hond blijven sturen in de richting die we hem willen hebben.

Echter het steeds bijhalen van al deze kennis maakt het geheel soms erg complex. Bovendien zijn er, buiten de hiervoor genoemde feiten over het gebruik van de diverse driften bij het manwerk, ook andere zaken die bij de opbouw van de hond betrokken moeten worden. Het gaat hierbij dan o.a. om driftbehoud, dreigend drift verlies door gewenning, de opbouw van de hond zonder vermijdgedrag te creëren t.o.v. de geleider en het punt van het bereiken van technische perfectie. Het geheel kan overzichtelijker worden door gebruik te maken van schema’s, zonder steeds diep in de theorie te moeten gaan. Het kan de opbouw wat minder complex over laten komen. Deze schema’s geven dan aan wat te doen in een bepaalde situatie op een bepaald tijdstip.

In dit deel van dit hoofdstuk het manwerk zullen dergelijke schema’s aan bod komen. Deze schema’s zullen dus onderbouwd kunnen worden door de hiervoor genoemde theoretische achtergrond. Naast deze schema’s zullen andere zaken, die hierbij relevant zijn, aan bod komen. Harmoniering zal hierbij het sleutelwoord zijn. En het mag duidelijk zijn. Heel het team behoort het begrip harmoniering te kennen.

10.6.1 HARMONIERING


Dit is dus het sleutelwoord. Harmoniering is het uiteindelijke doel van de opbouw van de hond  bij het manwerk. Harmoniering bestaat uit:

-het samen bundelen van driftenergieën die dan 100% ten goede komen aan de bijtoefeningen

-met daarbij drift bestendigheids trainingen



Harmoniering moet een ordelijke overeenstemming brengen tussen drift, technische passieve dwang en activering dwang. Harmoniering moet de hond in het functioneringsgebied brengen en houden. Wat deze begrippen inhouden zal duidelijk worden met de uitleg van de eerste stap richting harmoniering. Deze eerste stap is het toe gaan passen van driftharmoniering. Zie hiervoor eerst het nu komende schema.





Het functioneringsgebied is het optimale werkgebied waar we de hond willen hebben. Het is het werkgebied waarbij een hond een oefening met 100% gewenst gedrag uitvoert en daarbij ook het driftsoort inzet dat we daarbij wensen te zien.

Om de hond in het functioneringsgebied te krijgen hebben we drift nodig. Deze drift kan zijn buitdrift, actieve agressie, reactieve agressie etc. De inzet van drift, verkregen door acties van de pakwerker, brengt de hond vanaf links in het functioneringsgebied. Te veel drift zal de hond echter aan de rechter kant uit het functioneringsgebied drijven! M.a.w. de hond is niet meer in de hand van de geleider door te veel drift. Met technische passieve dwang vanuit de rechter zijde, dwingt men nu de hond terug in het functioneringsgebied. Technische passieve dwang is dus niets anders dan het appèl gedeelte bij het manwerk. Denk daar bijvoorbeeld bij het rustig moeten blijven liggen/zitten aan de voet en stil wezen, maar ook het “schoon” zijn in de bewakingsfase. Echter te veel technische passieve dwang zal de hond aan de linker zijde uit het functioneringsgebied drijven! M.a.w. er wordt dan te veel drift verdreven. En werken zonder drift kan nooit een optimale situatie bewerkstelligen. Werken met drift is een MUST! Wat men dus moet bereiken is een evenwicht tussen drift en technische passieve dwang zodat men de hond dwingt zich in het functioneringsgebied te bevinden. De situatie creëren van een evenwicht tussen de driften en de technische passieve dwang noemt men driftharmoniering.


Driftharmoniering kent weinig gevaar bij de uitvoering. Zolang men maar zorgt dat men de juiste drift wordt aangesproken bij de hond is het voor iedereen uitvoerbaar. De juiste drift die aangesproken moet worden is dus afhankelijk van de leeftijd van de hond. Zo zal er dus bij bijvoorbeeld een jonge hond nog veel buitdrift opgeroepen moeten worden door de pakwerker.

Het lijkt ideaal en eenvoudig de hond d.m.v. driftharmoniering in het functioneringsgebied te houden. Er is echter een probleem. De hond is op de lange duur op deze wijze niet in het functioneringsgebied te houden. Door gewenning, ontstaan door de hond keer op keer door de “prikkel” pakwerker in drift laten brengen en door technische passieve dwang in het functione­ringsgebied te houden, krijgt men prikkeldrempel verhoging! Anders gezegd: de hond komt keer op keer in dezelfde situatie bij het manwerk (revieren, opjutten, vlucht, opjutten, zit, overval etc etc), dat daardoor de prikkel steeds sterker moet worden om de hond gemotiveerd te krijgen en te houden. Men krijgt de situatie dat als de hond door te veel technische passieve dwang uit het functioneringsgebied is geraakt, het toevoegen van meer driftprikkels de hond niet meer terug brengt in het functioneringsgebied. M.a.w. het principe van de driftharmonering werkt niet meer! Er wordt ook wel eens gesproken over het verbruik van momentane driftenergie

En een belangrijke wet luidt: op deze wijze verloren drift komt nooit meer terug. M.a.w. een verhoogde prikkeldrempel is niet meer te herstellen!! Dus met driftprikkels moet men altijd zo zuinig mogelijk mee omspringen.


Als men in de situatie belandt, waarbij door gewenning de drift steeds verder verdrongen wordt en de hond hierdoor uit het functioneringsgebied dreigt te raken, moet men dus niet proberen d.m.v. meer drift van uit de pakwerker (jutten) de hond in het functioneringsgebied te behouden. Dit zal dus de prikkeldrempel alleen maar steeds verder verhogen!

Men zal moeten overschakelen naar het toepassen van dwangharmoniering.  


Om dit begrip verder uit te leggen zal ik eerst het schema van dwangharmoniering geven.



Wat in dit schema bedoeld wordt met drift, technische passieve dwang en het functioneringsge­bied is al duidelijk gemaakt. Nieuw is hier het begrip activeringsdwang. De gedachte achter activeringsdwang komt overeen met het bij het hoofdstuk appèl beschreven gedeelte over het behoud, of zelfs krijgen van meer drift bij het toedienen van pijn/dwang/correcties (bij het betreffende hoofdstuk wordt gepraat over het creëren van een reactieve fasetijd). Dus wat we bereiken met activeringsdwang is dat dwang/pijn toegediend door de geleider aan de hond, de prikkel vervangt die aanvankelijk de hond bij het manwerk in drift brengt. En deze aanvankelijke prikkel wordt dus gegeven door de pakwerker door middel van jutten e.d. Wat dus bereikt wordt door het introduceren van activeringsdwang is dat de prikkeldrempel niet wordt verhoogd. Door klassieke conditionering wordt de dwang/pijn vanuit de geleider gekoppeld met het verkrijgen van drift. Waarna door instrumentele conditionering (dit is dus de andere benaming voor wat gelijk staat voor operante conditionering) een koppeling plaatsvindt tussen de dwang/pijn en het bereiken van het driftdoel.


Wat we eerst moeten doen in de praktijk is de hond leren dat dwang van uit de geleider driftbevrediging kan brengen. Dit kan men de hond leren door toepassing van “drift - dwang - drift/driftbevrediging” oefeningen. Als dit afgerond is kunnen we van daar uit de activerings­dwang gaan creëren. Deze volgorde is belangrijk omdat de hond eerst zal moeten leren dat dwang driftbevrediging kan brengen. Doet men dit niet dan kan dwang vermijdgedrag t.o.v. de geleider oproepen. En dit is wat we absoluut nooit mogen gaan creëren!!

Kynethologisch uitgedrukt: De hond iets leren mag men nooit doen met alleen dwang maar altijd in combinatie met drift. M.a.w. bij gebruik van instrumentele conditionering moet men altijd ook klassieke conditionering toepassen.

Later kom ik hier op terug.


D.m.v. “drift -dwang -drift/driftbevrediging” bereikt men dat de hond hoog in drift zit en toch absolute gehoorzaamheid toont aan zijn geleider. Men krijgt dan dus een correct en intensief werkende hond. Om deze combinatie van drift en dwang in zijn optimale vorm te bereiken moet men zeer hoog geactiveerde drift direct gaan koppelen aan appèl. De hond leert hiermee dat de uitvoering van de dwang zijn driftdoel zal bevredigen en zal de dwang geen deactivering/vermijdgedrag t.o.v. de geleider veroorzaken. In de praktijk kan dit er als volgt uit zien. De hond zit aangelijnd aan de voet van de geleider, de pakwerker staat op circa 5 meter van de hond. De geleider neemt zijn hond vast en tegelijkertijd begint de pakwerker de hond op te jutten (=de drift fase), eventueel met hulp van een zweep erbij. Na circa 5 seconden stopt de pakwerker zijn jutwerk en stelt zich neutraal op, terwijl tegelijkertijd de geleider zijn hond het commando af geeft (=de dwang fase). Ligt de hond circa 2 seconden correct, stil en verder zonder hulp af, krijgt hij het comman­do revier en moet dus de pakwerker gaan aanblaffen. Blaft de hond circa 3 secon­den correct aan, dan mag hij bijten en winnen (=de drift/drifbevredigings fase). Uiteraard kan men een dergelijke methode pas gaan toepassen als de oefening zonder de driftdwang dosering zeer correct wordt uitgevoerd.

(Overigens, wil men tevens het oproepen van actieve agressiedrift gaan koppelen aan deze oefening, dan kan men op het moment dat de hond intensief aanblaft in plaats van de hond te laten bijten, juist de buit (=mouw) er vandoor laten gaan terwijl hij door zijn geleider d.m.v. de lijn wordt tegengehouden. Doordat hij aan de lijn zit en er dus niet achteraan kan, zal de actieve agressiedrift naar boven komen. Kort daarna laat men de hond uiteraard stellen en buitmaken.)

Het toepassen van de "drift - dwang -drift/driftbevrediging" oefeningen behoren naar gelang de hond steeds verder de pro­gramma onderdelen is aangeleerd, steeds intensiever worden toegepast. Het verhoogt de hond zijn driftintensiteit en daarnaast zijn gehoorzaamheid. De oefeningen zijn in veel variaties toepasbaar. Hieronder volgen enkele voorbeelden.


-Opjutten-af-vlucht/tegenhouden-stellen-buitmaken

-opjutten-zit-rugtransport-overval-buitmaken

-aanblaffen in verstek-uittrekken-vlucht-stellen-buitmaken

-aanblaffen in verstek-uitroepen/voet-opjutten-af-revier-aanblaffen-buitmaken

-aanblaffen-terugtrekken-revier-aanblaffen-buitmaken

-aanblaffen-uittrekken-af-vlucht-buitmaken


Het mag duidelijk zijn dat bij het appèl gedeelte van dit type oefeningen de hond in drift moet blijven. Er mag geen enkele vorm van vermijden t.o.v. de geleider herkenbaar zijn. Daarom is het een goede zaak dat het appèl gedeelten altijd zoveel mogelijk geschieden met de pakwerker voor de hond en een beweging richting pakwerker.

De hond moet bij de af/zit gedeelten echt helemaal tot rust komen en stil zijn. Met dit passief vermijden moet de hond goed leren omgaan. De uitstraling en rust van de geleider bij het passief vermijden is enorm belangrijk. Ook als de hond de mouw moet afgeven en moet gaan liggen bij de mouw moet de hond helemaal tot rust komen.

Wat men echter nooit uit het oog mag verliezen is dat een hond in “overdrift” kan raken. Men heeft dan deze honden zo hoog in drift gebracht dat de geleider, ondanks deze zeer correct te werk gaat, gewoonweg niet meer doorkomt bij zijn hond. Deze honden kunnen dan op dat moment ook niets geleerd worden daar correcties/contact door/met de geleider niet mogelijk is. Deze situatie moet uiteraard altijd voorkomen worden. De grens voor het bereiken van “overdrift” ligt bij elke hond anders.


Als de combinatie van drift en dwang er goed in zit kan     men de activeringsdwang gaan introduceren. We kunnen nu dezelfde oefeningen gaan gebruiken zoals zo even beschreven bij de “drift - dwang drift/driftbevrediging” oefeningen. Wat er nu echter toegevoegd wordt is dat na de dwang de hond wederom in drift wordt gebracht door de pakwerker maar nu in combinatie met pijn/dwang prikkels van uit de geleider. De eerste oefening van de toepassing zou er als volgt uit kunnen zien. De hond zit aangelijnd aan de voet van de geleider, de pakwerker staat op circa 5 meter van de hond. De geleider neemt zijn hond vast en tegelijkertijd begint de pakwerker de hond op te jutten (=de drift fase), even­tu­eel met hulp van een zweep erbij. Na circa 5 seconden stopt de pakwerker zijn jutwerk en stelt zich neutraal op, terwijl tegelijkertijd de geleider zijn hond het commando af geeft (=de dwang fase). Ligt de hond circa 2 seconden correct, stil en verder zonder hulp af, volgt er weer jutwerk door de pakwerker. Nu komt echter de introductie van de activeringsdwang. De hond wordt geprikt aan zijn ketting en gedwongen aan de voet van de geleider blijven. De hond staat dus in de startblokken, wilt erg graag (jankt/piept dat hij graag wil), maar wordt gedwongen door pijnprikkels/dwang (=activeringsdwang) nog even te wachten op het commando stellen. Uiteraard is dit wachten de eerste keer hooguit een seconde of drie. Dan krijgt hij het commando stellen waarbij de pakwerker uiteraard op juiste wijze reageert. De varianten van de “drift -dwang - drift/driftbevrediging” oefeningen die genoemd zijn, zijn nu, met toevoeging van de activeringsdwang, bruikbaar. De hond wordt dus nu door de combinatie van pijn en dwang niet in vermijdgedrag gebracht maar juist in drift. Er vindt dus een klassieke conditionering plaats tussen de activeringsdwang en de drift komende vanuit de pakwerker. De activeringsdwang (pijn/dwang) is dus via deze klassieke conditionering de nieuwe prikkel geworden wat de hond in drift brengt!! De hond is geleerd dat deze pijn/dwang driftbevrediging gaat brengen.

Het zal uiteindelijk zo moeten zijn dat toegediende pijn/dwang door de geleider zoals hiervoor beschreven, de hond in drift brengt zonder dat de pakwerker hierbij moet helpen d.m.v. jutten e.d. Er is dan uiteindelijk een instrumentele conditionering tussen de pijn/dwang en het driftdoel. M.a.w., doordat de hond zijn driftdoel bereikt zal hij graag d.m.v. pijn/dwang in drift gebracht worden en dus niet door de pijn/dwang in het vermijden vervallen.


Men moet echter een zaak voor ogen houden bij het willen toepassen van dwangharmoniering. Het toepassen van activeringsdwang brengt gevaren met zich mee! Het is zeker niet voor iedere hond weggelegd om het te gaan toepassen. De hond moet mentaal bij machte zijn om bij technische passieve dwang en activeringsdwang uiteindelijk toch in drift te komen. De spanningen kunnen voor de hond zo hoog oplopen dat deze “tussen de oren ontploft”! Gevoel en kennis van zaken van heel het team is een MUST! Daarbij moeten we uiteraard niet de leeftijd van de hond uit het oog verliezen!



Het moet duidelijk zijn......


Vroeg kan men beginnen met driftharmoniering

Vroeg mag men nooit beginnen met dwangharmoniering


Wat we kynethologisch gezien gedaan heb­ben met drifthamonering en dwangharmoniering is weer gegeven in de nu volgende tekening.


Het meest wezen­lijke van heel dit verhaal heb ik nog niet aan de orde gesteld. En dat is dat naast een hond ook een geleider opgebouwd moet wor­den! De geleider moet leren dat hij diegene is die uiteindelijk zijn hond d.m.v. activeringsdwang­ en technische passieve dwang in het functioneringsgebied houdt. Het doen en laten van de pakwerker er niet meer toe doet, want hij de geleider kan zijn hond in drift brengen. Als het moet heeft hij hiervoor de pakwerker niet nodig. Het mes snijdt daarmee aan twee kanten. Natuurlijk zal een hond in het functioneringsge­bied die voelt mentaal een overwicht te hebben op een pakwerker een mooi stukje bijtwerk kunnen laten zien. Maar een hond ook goed in dwang­harmonie gebracht door de geleider zal ook geen verstoord beeld laten zien door de invloed van de geleider. Storende invloeden door de geleider bij het inlopen voor wat betreft bewaking etc. zullen er dan gewoon weg niet zijn. Wie kent niet het beeld van opzij springende honden, een overslaande blaf, omkijkende honden, m.a.w. onrust door de invloed van de geleider. Want in hond op de juiste wijze in dwangharmo­nie gebracht zal de aankomst/aanwezigheid van de hond hem alleen maar in meer drift kunnen brengen.


Het mag hiermee duidelijk zijn dat het uiteindelijke eindresultaat van de opbouw van de hond niet alleen bepaald wordt door een goede opbouw van het “wezen” de hond, maar dat parallel daaraan ook het “wezen” de geleider goed opgebouwd moet worden! Geleider moet leren dat hij in hectische situaties voor de hond de rust en vertrouwen moet kunnen geven aan zijn hond. Dat hij als geleider alleen maar een positieve bijkomstigheid is en geen, hoe gering dan misschien ook, een storende factor is. Het is een zeer moeilijke opdracht voor een geleider om dit een zijn optimale vorm te bereiken. Des niet te min is het belang erg groot om deze optimale vorm zo dicht mogelijk te bereiken. Het is zeker absoluut verkeerd dat een geleider absoluut geen bijdrage kan leveren in het in drift brengen van de hond en alleen maar in de ogen van de hond en storende factor is gedurende het uitvoeren van zijn werk. Negatieve invloeden door de geleider zijn snel in het leven geroepen. Knullige omgang met bijvoorbeeld lange lijnen, het verkeerde gebruik van halsbanden/prikkettingen, lichaamshouding en mimiek van de geleider etc etc hebben hun invloed. Voor geleiders die door hun uitstraling te dominant overkomen bij hun zeer jonge hond, kan het verstandig zijn hun hond eerst hierboven uit te laten groeien alvorens enige training aan te vangen met de hond. En vergeet niet, wat er zich allemaal afspeelt bij het speuren en appèl zal zijn invloed hebben bij het manwerk.

Kortom, de geleider moet weten wat hij moet doen en wat zeker niet. En dit kan hij alleen maar weten als hij weet waarom hij op een bepaalde wijze moet handelen. De geleider moet weten waar hij mee bezig is! De basishandelingen die een geleider absoluut moet gaan beheersen zijn: hond heeft mogen bijten, mouw wordt gewonnen en hond loopt met de mouw in de bek samen met de geleider rond, ze houden halt en de geleider brengt zijn hond tot rust die de mouw nog in de bek heeft, de hond moet de mouw lossen en wordt tot passief vermijden gebracht waarbij een absolute rust heerst bij de hond.


Wordt een uitermate geschikte hond voor de africhtingsport goed opgebouwd en is de hond geestelijk volwassen geworden dan kan er spraken zijn dat men een complete harmoniering heeft bewerkstelligd.

Complete harmoniering houdt in dat d.m.v. activering dwang en drift aan de ene zijde en door tegendruk van technische passieve dwang aan de andere zijde, de hond is gestabiliseerd in het functioneringsgebied.



Is er spraken van complete harmoniering dan moet bijvoorbeeld het volgende mogelijk zijn.

Hond blaft de pakwerker aan. Pakwerker daagt de hond uit door mimiek, geluid, lichte bewegingen met lichaam. Hond gaat in de fout (bijt in/springt tegen de pakwerker op etc) en wordt hiervoor gecorrigeerd door de geleider. Hond dreigt hierdoor iets in het vermijden te raken of drift te verliezen. Door activeringsdwang vanuit de geleider (prikken aan de prikketting etc) wordt de hond terug in het functioneringsgebied gebracht, dus zonder dat driftopbouw vanuit de pakwerker hierbij nodig was. Er is dus geen spraken geweest van prikkeldrempel verhoging.


Tot slot, na het bereiken van een complete harmoniering is een zeer belangrijke gegeven om te onthouden deze. Technische perfectie is theoretisch nooit voor 100% te behouden. Om de eenvoudige reden dat technische perfectie altijd een halt toe roept aan de driftontwikkeling. M.a.w. de drift vloeit dan weg. Dit is de reden dat men altijd moet werken naar het bereiken van een technische perfectie voor een bepaalde periode. Deze periode is uiteraard het moment van deelnemen aan een belangrijk evenement. Vaak wordt dit gegeven aangeduid met de term “pieken”.


10.6.1 Stellen en aanblaffen (de bewaking)

Het stellen en aanblaffen (daarmee ook de bewakingsfase bedoelende) is een omstandigheid waarbij een hond die goed van wezen is en voorzien van een hoge dosis actieve agressie te onderscheiden is van een hond die hierin te kort schiet. Daarom dan ook specifieke aandacht aan deze materie. Later in dit hoofdstuk manwerk wordt uitgebreid teruggekomen over het aanleren van stellen en aanblaffen. Nu zal ik me hoofdzakelijk beperken tot de kynethologische wetgevingen hieromtrent.



Het aanblaffen van de pakwerker kan men verdelen in twee type. Het eerste type is de situatie waarbij de hond zijn actieve agressie inzet t.o.v. de pakwerker. Het andere type is de situatie waarbij de hond in buitdrift aanblaft om de buit te bemachtigen. Diegene die de tot nu behandelde theorie voor wat betreft driftinzet gedurende het manwerk goed heeft doorgrond, zal daarmee begrijpen dat het aanblaffen met inzet van sociale agressie datgene is wat wij van de hond wensen. Heel het aanblaffen is dan gebaseerd op basis van een vijandige/concurrerende relatie tussen de hond en de pakwerker. Ik wijs er nog eens op, wat we willen is dat de hond bij vluchthandelingen van de pakwerker werkt in buitdrift, als de pakwerker een contra actie maakt t.o.v. de hond moet de hond overgaan in verdedigingsdrift en na het lossen overschakelen in zijn sociale agressie.

Het verschil tussen het eerste en het tweede type is duidelijk te onderscheiden in de praktijk gedurende de aanblaf situatie. Een hond aanblaffende in buitdrift laat een hond zien die aanblaft op een normale gecontroleerde toonhoogte. Het is minder intens en de hond laat geen serieuze dreiging zien t.o.v. de pakwerker. Soms kan men zien dat de hond niet de pakwerker aanblaft maar de buit (de mouw). De hond in sociale agressie geeft dus duidelijk een ander beeld. De hond blaft intenser in een agressieve toon en richt zich duidelijk op de pakwerker. Doordat de drift intenser is kan de hond langer in drift gehouden worden, zeker als men eenmaal een complete harmoniering heeft bewerkstelligd. Het mag gelijk duidelijk zijn dat bij honden met een gebrek aan agressiedrift en of een gebrek aan stabiliteit nooit het gewenste aanblaftype te creëren is. Deze honden zullen altijd in buitdrift gehouden moeten worden.



Zoals al duidelijk is gemaakt in het begin van dit hoofdstuk manwerk wordt de jonge hond opgebouwd in zijn beet d.m.v. buitdrift. Gedurende deze opbouw leert de jonge hond ook dat d.m.v. blaffen hij de pakwerker kan activeren (zie terug bij “het initiatief verleggen van pakwerker naar hond”). Hij leert dat hij de pakwerker d.m.v. blaffen kan ophitsen, de stuipen op het lijf kan jagen om buit kan maken. Dat hij d.m.v. blaffen de pakwerker het op een lopen kan laten zetten en hij erachter aan kan rennen om hem te grijpen en buit te maken. Heel het “initiatief verleggen” is dus de basis voor het aanleren van het aanblaffen van de pakwerker. Het “initiatief verleggen” en hiermee dus het eerste aanblaffen van de pakwerker gebeurd in buitdrift.

Met het ouder worden van de hond vindt dus bij de hond kanalisering van verdedigingsgedrag in buitdrift plaats. Hiermee zal de sociale agressie ontwikkeld worden. Daarmee verandert het gedrag van de hond t.o.v. de pakwerker van het werken in buitdrift naar de inzet van verdedigingsgedrag. Werkt een hond eenmaal in verdedigingsdrift dan is deze d.m.v. passief vermijden (lossen) en eventuele activeringsdwang in “sociale agressie”-blaffen te brengen. Zeker als de pakwerker op het moment van het passief vermijden de hond uitdaagt door aankijkgedrag, dreigende houding, zweepgebruik etc., waarbij men echter weer “overdrift” moet voorkomen. Let wel op met dit uitdagen de pakwerker goed in zijn rol blijft. Dit uitdagen moet voor 100% gebaseerd zijn op de rol van vechtpartners te zijn. Het behoort hier zo te zijn dat uit respect voor de geleider de hond ondanks deze uitdagingen in passief vermijden blijft (= hier bewaking). Pas bij een eventuele daadwerkelijke overval van de pakwerker op de hond mag deze overgaan tot bijten. Respect voor de pakwerker mag niet gecreëerd worden. Over deze materie kom ik verderop in dit hoofdstuk nog terug.

Het op deze wijze de hond er toe te brengen in sociale agressie te gaan aanblaffen past in zijn geheel in de opbouw van de hond zonder onnodige risico’s te nemen.


Op veel africhtingverenigingen zie je echter dat de pakwerker verhindert dat de hond kan inbijten bij het revieren en aanblaffen of deze na het lossen wil gaan inbijten. Kynethologisch gezien is het ook mogelijk op deze wijze de hond in een aanblaf situatie te krijgen waarbij hij zijn sociale agressie inzet. Echter dit zal dan alleen lukken bij honden die sterk van wezen zijn en genetisch al de gewenste driften in zich heeft. Is dit niet het geval dan zal de hond terugvallen in vermijdgedrag. Met het toepassen van deze trainingsmethode bij de opbouw voor het IPO/VH programma neemt men naar mijn mening onnodige risico’s. Echter om deze materie zo compleet mogelijk te beschrijven en aan te geven waar de nadelen zitten toch de uiteenzetting van deze methode.

In de praktijk zou de training er dan zo uit moeten zien. De hond jaagt in buitdrift richting pakwerker die in het verstek gevlucht is. Normaal bijt hij in buitdrift gelijk in. Echter wordt de hond d.m.v. agressie van de pakwerker van inbijten weerhouden. Dit weerhouden kan dan zijn d.m.v. aankijkgedrag, dreiging met de stok, dreigend stemgeluid of wat dan maar ook nodig is om de hond te overrompelen. Doordat de hond is overrompeld zal deze in eerste instantie enige stappen terug doen en omschakelen van buitdrift in verdedigingsgedrag. Dit verdedigingsgedrag zal zich uiten in een “verdedigingsblaf”. Zodra de hond gaat blaffen, en deze timing hierbij is zeer belangrijk, maakt de pakwerker een vluchtbeweging en laat de hond inbijten in een dreigingvrije buitdrift. De hond leert dus de dreiging te overwinnen door inzet van verdedigingsdrift, op latere leeftijd zal dat sociale agressie worden, en zijn rust daarmee te vinden in bevrediging van zijn buitdrift. Gedurende deze gehele situatie blijft de geleider helemaal buitenspel. De hond zal het in zijn geheel alleen moeten oplossen anders zal de gehele opzet niet werken. Zoals ik al beschreef, bij aanvang van het toepassen van deze methode moet de hond bij het eerste blaffen gelijk in buitdrift gebracht worden. Het langer laten aanblaffen gaat men pas mee beginnen als de hond in de loop van de verschillende trainingssessies heeft laten zien met de situatie goed om te kunnen gaan. De tijd van aanblaffen wordt dan langzaam opgevoerd.

Het probleem dat ik heb met deze methode is dat het alleen voor de echt sterke honden toepasbaar is zonder de hond te ver van de pakwerker weg te laten stappen voor wat betreft het voorgeschreven is in het IPO/VH programma. Een ander vereiste is dat men de beschikking moet hebben over een pakwerker met zeer veel gevoel en kennis van zaken! Vergeet niet dat de dreiging/verweer vanuit de pakwerker heel sterk kan moeten wezen om de hond van de mouw te houden. Heel snel zal de hond dan enige afstand bewaren gedurende het aanblaffen. Daarom zie ik deze methode meer iets voor de training van diensthonden/KNPV. Daar is enige afstand t.o.v. de pakwerker tijdens de bewaking geen probleem of voor het werk in de praktijk misschien zelfs wel gewenst. Het IPO/VH programma schrijft echter voor dat de hond direct onder de mouw bewaakt.

Toepassen van deze laatste methode bij zwakkere honden zal deze honden te ver in vermijdgedrag laten vallen en of onzeker maken in de bewakingsfase. Correcties van uit de pakwerker zonder de doelstelling de hond uiteindelijk in sociale agressie te krijgen getuigen van een niet doordachte opbouw van een hond en een kynethologisch niet verdedigbare trainingsmethode!

Met dit gehele verhaal over het stellen en aanblaffen (de bewaking) mag duidelijk zijn dat de houding van de pakwerker gedurende de bewakingsfase zeer belangrijk is. Een passieve pakwerker zonder uitstraling en dreiging zal nooit een grote uitdaging voor een hond zijn om in sociale agressie te werken!


Bij de aanbevolen methode om de hond aan te leren met inzet van sociale agressie aan te gaan blaffen, behoort men daarnaast ook gebruik maken van de wetgeving van instrumentele conditionering / leerfixering door conflicten. Voor wat betreft het aanblaffen houdt dit in dat men in de loop van de opbouw de ingezette drift en het driftbehoud, met als doelstelling voor de hond het bereiken van driftbevrediging, verder ontwikkeld. Dit doet men door de driftbevrediging met interval te laten plaatsvinden. Voor het aanblaffen betekent dit:

*Blaffen - bijten

*Blaffen - niet mogen bijten

*Langer aan laten blaffen - niet mogen bijten

*Kort aanblaffen - bijten  etc etc.

Als dit goed is toegepast en de hond intussen ongeveer twee jaar is geworden, vindt het volgende in de praktijk plaats. Door het aanblaffen nu steeds langer en langer aan te houden in combinatie met de snelheid dat de beloning komt (bijten) af te wisselen, krijgt men de situatie dat de hond in een conflict komt. Hem is zo ingeprent dat aanblaffen beloning geeft, met als gevolg dat achterwege blijven hiervan de dwang erna alleen maar groter wordt. M.a.w., het is zo ingeprent bij de hond dat blaffen een beloning geeft, dat hij deze kost wat kost dan ook wil hebben. Het conflict van “het nog niet mogen bijten” geeft hem alleen maar nog meer doorzettingsvermogen om te blijven aanblaffen. Hij is er zo gefixeerd op geraakt dat hij geen andere uitweg meer weet om uit het conflict te komen dan maar door te gaan met aanblaffen. Instrumentele conditionering / leerfixering door conflicten dus.

Ik vermelde hiervoor al dat men op veel africhtingverenigingen ziet dat de pakwerker verhinderd dat de hond kan inbijten bij het revieren en aanblaffen of na het lossen. Ik heb hierbij beschreven hoe dit kynethologisch verantwoord zou kunnen. Echter wat men helaas heel vaak ziet dat de pakwerker zich totaal niet aan deze kynethologische wetgeving houdt. Wat men dan wel ziet is dat de pakwerker de rol van de geleider gaat overnemen. De acties van de pakwerker zijn dan zodanig dat hij het type respect gaat afdwingen bij de hond waarover ik bij het hoofdstuk “Communicatie en hoe honden leren” uitgebreid heb gehad. Door commando’s te geven als FOEI, NEE, GA ZITTEN, LUID etc vervalt de pakwerker dan compleet uit zijn rol. De pakwerker moet een vechtpartner worden voor de hond en geen persoon waarvoor hij respect moet hebben. Dit respect waar we het hier over hebben behoort enkele en alleen toe aan de geleider! Is dit respect niet bij de geleider dan wordt heel de uitvoering van het manwerk op een evenement wel heel erg pakwerker afhankelijk. Uitgebreid intrainen wordt dan ook altijd een grote must! Om een goede driftontwikkeling en harmonering te bewerkstelligen gedurende het manwerk, met het daarbij behorende respect (= appèl) voor de geleider, behoort iedere betrokkene zijn voorgeschreven rol hierin heel goed te kennen. Daarnaast moet het perfect uitgevoerd worden met hoogachting voor de kynethologische wetgeving hierbij.

Ter afsluiting van dit onderwerp nog iets over het toepassen van stille bewaking.

Het is een hond zeer wel aan te leren dat hij aan moet blaffen in het verstek en stil moet bewaken in de overige situaties. Een kwestie van situatie herkenning door de hond. Echter bij stille bewaking bevindt de hond zich in buitdrift! De genoemde nadelen van “buitdrift”-bewaking wegen nog zwaarder als het niet “buitdrift”-aanblaf betreft maar de stille bewaking. De verleiding bij de hond om t.o.v. de pakwerker uit drift te raken is bij een stille bewaking dus nog groter.

Stille bewaking wordt meestal toepast bij een hond die een te onrustig beeld geeft bij het aanblaffen. Een mogelijke betere oplossing voor dit probleem is verderop in dit hoofdstuk manwerk te vinden bij “het betere alternatief voor stille bewaking”.

10.7 De daadwerkelijke opbouw van het manwerk in de praktijk


10.7.1 Eerst nog enkele woorden vooraf over enkele praktische zaken


*Bij het komende verhaal over de opbouw van het manwerk wordt er van uitgegaan dat het appèl gedeelte horende bij het man­werk (ofwel het passief vermijden), de geleider zijn hond bijbrengt. Over de materie van het laten verhinderen door de pakwerker een jonge hond in te bijten in het verstek na het revieren of na het lossen e.d., heb ik al hiervoor geschreven bij “Stellen en aanblaffen (de bewaking)”. Ik vermeld opnieuw, ik zie niet de noodzaak om een jonge hond al te dwingen met zijn verdedigingsdrift te gaan werken. Het gevaar van een te groot  vermijdgedrag  dat geactiveerd kan worden vind ik te groot (ik heb ook al eerder gesproken over het niet mogen creëren van vlucht- en verdedigingszones). Bovendien kan, indien dergelijke handelingen door de pakwerker worden verricht, de wijze uitvoering van het appèl gedeelte gedurende het manwerk sterk gaan afhangen van de pakwer­ker waarmee de hond op dat moment te maken heeft. De uitstraling/dreiging die iemand als pakwerker van nature heeft verschilt nu eenmaal per persoon. Een hond heeft een enorme aanleg dit verschil snel te zien en zal dan ook zijn gedrag hierbij snel aanpassen.

Ook correcties door derde zal vrijwel zeker, voor wat betreft het appèl gedeelte bij manwerk, problemen geven op het moment dat deze derde man niet in de nabijheid is van de hond. Respect voor- en gehoorzaamheid aan de geleider is wat gedoseerd afgedwongen moet worden bij de hond door de geleider zelf. Kortom, harmoniëren kan en moet enkele en alleen door de geleider in de praktijk gebracht worden. Dit zal overigens de nodige africhtingkwaliteiten eisen van de geleider en instructeur!

Ook behoord gedurende de training de aanwezigheid van "toeschouwers" en eventueel de aanwezigheid van andere honden dicht bij de uitvoering van het manwerk een andere regel te zijn. De hond behoort gewoon niet anders gewend te zijn.


*De geleider zal moeten leren te werken met twee banden om de hals van de hond. Van deze twee zal één een prikketting zijn en de andere een normale groffe halsketting of een leren halsband.

De prikketting wordt enkel en alleen gebruikt als technische dwang afgedwongen moet worden en bij het oproepen van activeringsdwang. Deze prikketting moet overigens hoog achter de oren en vrij strak zitten. Op deze wijze werkt de prikketting het beste en komt deze niet over de andere ketting of band heen te zitten.

De grove ketting of leren halsband wordt voor de overige handelingen gebruikt zoals bij het lopen met de mouw in de bek van de hond, bij het jutwerk etc. Bij jutwerk geeft een brede leren  halsband een goede driftprikkel. Een nadeel is echter dat de hond misschien snel kort van adem is. Voor jutwerk is een juttuig mogelijk idealer.

Ik herhaal hier een zeer belangrijk punt voor wat betreft lijn gebruik.Als men gedurende "het ge­vecht" de lijn laat doorhangen is men niet bezig de buitdrift van de hond te versterken, maar roept men zijn verdedigingsdrift op. Buitdrift stimulatie geschiedt dus met een strakke lijn, het meer aanspreken van de verdedigingsdrift geschiedt met doorhangende lijn. Anders geformuleerd. Een strakke lijn geeft de hond steun, bij een door hangende lijn is de hond op zichzelf aangewezen. Belangrijk om te onthouden zodat de gewenste drift op een bepaald moment goed aan te sturen is.

Het is van belang zodanig met de hond te werken dat deze niet of zo min mogelijk in de fout kan gaan. In bijten bij het revieren, uitbreken bij het revieren en verdere ongehoorzaamheid moet men altijd voorkomen. Hierbij is het op de juiste manier gebruik maken van technische hulpmiddelen zoals de plaagpaal, lange lijnen etc erg belangrijk om het foutloos aanleren te kunnen bereiken. Voor het belang van het foutloos leren verwijs ik terug naar hoofdstuk 6, “Communicatie en hoe honden leren”,  punt 6.21 “het belang van foutloos leren versus wedstrijdslim worden van de hond”

Wat betreft actief vermijdgedrag bij het manwerk het volgende. Soms ziet men wel africhters die actief vermijdgedrag, dat volgde naar reactieve agressie richting de pakwerker, willen onderdrukken met behulp van de inzet van negatieve bekrachtiging. Echter is het zo dat door de natuurlijke betekenis van actief vermijdgedrag dit gedrag zich slecht laat elimineren met behulp van negatieve bekrachtiging. Vaak zal dan de situatie ontstaan dat als de hond dreigt in een zelfde situatie te belanden waar hij voorheen overging tot actief vermijdgedrag, deze bij voorbaat al reactief wordt en wegvlucht als hij hiervoor de kans krijgt. Vermijdgedrag ten opzichte van de pakweker moet dus zijn oplossing vinden met behulp van buitdrift.            


*Het vervolg van dit hoofdstuk manwerk, zal hoofdzakelijk het aanleren van een goede beet en het aanleren van het programma behandelen. Het tijdstip van het verleggen van het initiatief richting hond en het overgaan van het niet alleen maar prikke­len van de hond in zijn buit­drift, maar hem ook daarbij gaan prikkelen in zijn verdedigingsdrift d.m.v. contrareacties, is zeer moeilijk aan te geven. Dit moment is zo sterk afhankelijk van de combinatie geleider-hond waarmee men te maken heeft, dat daarom dan ook gaande weg het vervolg van dit verhaal steeds minder aan­dacht aan deze materie besteed zal worden. Het zelfde geldt voor het noodzakelijke harmoniëren door de geleider. In het theorie gedeelte hiervoor is al aangegeven wat men als pakwerker en geleider te doen heeft en hoe dit uitgevoerd zou kunnen worden. Gedurende het gevecht met de hond, uitgevoerd met de hond bevestigt aan een jutlijn m.b.v. een juttuig of ­gedurende het bijtwerk bij het aanleren van het programma, moet dus de buitdrift/verdedigingsdrift/kanaliseren materie door de pakwerker in de praktijk gebracht worden. Parallel hieraan loopt het harmoniëren.

Echter, en dit heb ik al eerder aangegeven, mag er van de volgende belangrijke regels nooit afgeweken worden. De hond behoort eerst de techniek te leren dat hij altijd in het midden van de bijtmouw in moet bijten. Het aan te leren appèl bij het manwerk moet gedragen kunnen worden door het stemmingsgevoel van de hond. Anders geformuleerd.

Een goede driftopbouw, dit door middel van het initiatief verleggen, de hond leren conteren en het kanaliseren van verdedigingsdrift in buitdrift, gaat altijd voor op het aanleren van het programma!

Immers het dragen van de last van het appèl moet gedragen kunnen worden door een goede driftinhoud van de hond. Het is ook niet zo dat men zich te veel alleen maar mag concentreren op de driftopbouw. Appèl moet ook vroeg geïntroduceerd worden. Dit omdat de hond vroeg geleerd moet worden met deze druk van het appèl om te kunnen gaan. Maar dan wel met een zodanige dosering die op dat moment gedragen kan worden door de aanwezige driftinhoud.

Met andere woorden. Het aanleren van het programma moet afgestemd zijn op de driftopbouw. Het aanleren van het programma mag nooit een belemmering gaan vormen in de driftopbouw.

*Het is een goede zaak als men een trainingssessie zodanig indeelt dat men in begin heeft waarbij de hond in stemming wordt gebracht. Een middendeel waarbij de hond belast wordt. En men als afsluiting een deel heeft waarmee de hond met een goed gevoel het veld af gaat. Praktisch gezien kan dit er als volgt uit.


DEEL 1 = Hond in goede stemming brengen!

-Prikkelen

-Driftopbouw en zeker maken door driftbevrediging

-Instrumentele conditionering

In dit eerste deel zal dus veel buitdrift om de hoek kijken. M.a.w. hond krijgt vrijwel geen dwang alleen maar drift.


DEEL 2 = Werken aan harmoniering/kanalisering

-werken aan de actieve agressie

-klassieke conditionering voor activeringsdwang te verkrijgen

-driftopbouw door conflict, m.a.w. geen driftbevrediging


DEEL 3 = Ontspanning

-Instrumentele conditionering, geen dwang/druk alleen maar driftbevrediging

Hond moet dus met een goed gevoel de trainingssessie verlaten. Spanning moet weggevloeid zijn.



10.7.2 Puppy tijd


Zoals al aangegeven kan men met een pup van ongeveer acht weken al met de driftontwikkeling beginnen. Driftontwikkeling, meer hoeft het niet in te houden. Het bijten kan nog niet veel van betekenis zijn. Zeker als de hond gaat wisselen is de nodige voorzichtigheid met het gebit in acht te nemen. Het “bijtwerk” gedurende de trainingen met de hond zal in deze fase alleen maar hoeven te bestaan met het van het veld van een zakje e.d. Wel kan al in een vroeg stadium een poging ondernomen worden het initiatief van het ophitsen te verleggen van pakwerker naar de hond. Men mag niet vergeten gedurende het bijtwerk te reageren op contra reacties van de hond.

Heeft de hond zijn melkgebit volledig ingeruild voor zijn “echt” gebit dan kan met het aanleren van een goede beet begonnen worden. De hond zal ongeveer zes á zeven maanden zijn.

Door het 100% werken in buitdrift kent deze periode geen gevaar voor wat betreft vermijdge­drag. Echter de kwestie van het verhogen van de prikkeldrempel dient een punt van aandacht te blijven.


10.7.3 Het aanleren van een goede beet/het leren lopen met de buit


De hond heeft hierbij een juttuig aan en wordt midden op het trainingsveld aan gezet. De geleider blijft hierbij stilstaan als zijnde de paal waaraan de hond vast zit d.m.v. zijn juttuig. De geleider moe­digt zijn hond rustig en overtuigend aan als deze het initiatief neemt de pakwerker op te jutten. Het eerste inbijten behoort al "vol" en "vast" te zijn. Is dit niet het geval dan mag de hond beslist de buit niet winnen. Door de mouw even "dood" te houden zullen de meeste honden van nature bijbijten als reactie op de doodreflex van de prooi, waarna de pakwerker weer tot actie over kan gaan. Lukt dit bijbijten niet dan behoort de geleider de buit rustig uit de bek van de hond te halen, waarna de pakwerker gelijk tot actie moet overgaan. Indien de hond mag winnen gaat de geleider met zijn hond stukje draven, waarbij hij probeert te voorkomen dat de hond de buit laat vallen of gaat verbijten op de buit. Het aanleren van het lopen met de buit is belangrijk voor de driftontwikke­lingen van de hond en dus het aanleren van een goede beet. Naar het draven wordt er halt gehouden en streelt men de hond terwijl deze de mouw rustig “vol” in de bek vast houdt. De geleider doet hierbij een vlakke hand onder de bek van de hond. Met deze rust in buitdrift kan stress volledig wegvloeien.

Na deze korte periode van rust laat de geleider de hond de buit lossen. De meest ideale manier voor het laten lossen van de buit is dat de geleider de onderlippen tegen de kiezen drukt. Bij een jonge hond lukt dit meestal snel. Mocht dit niet of niet meer lukken dan de hond rustig aan zijn halsketting omhoog hijsen, zodat deze de buit laat vallen. De geleider moet het commando los bij beide methode niet gebruiken! Zodra de hond de buit laat vallen dient er gelijk actie te komen vanuit de pakwerker, terwijl de geleider zich weer als paal opstelt. Het belang van deze snelle reactie van de pakwerker heb ik al beschreven. Echter mocht er voor wat voor reden dan ook het afgeven van de buit op deze hiervoor genoemde methode constant een groot gevecht zijn tussen geleider en hond dan moet men overgaan tot het laten lossen op commando van de geleider. Simpelweg omdat er dan geen enkel voordeel meer is door het anders te doen dan op commando. De voorbereiding hiervoor en de spelregels hierbij zijn verderop in dit hoofdstuk te lezen bij het onderwerp “HET LOSSEN”. Men kan in een later stadium ook enkele malen de hond de buit terug laten brengen naar de pakwerker om een kort gevecht te laten geschieden. Blijkt dat op het moment van terugbrengen dat de hond onrustig wordt in zijn beet dan moet de pakwerker de mouw niet aannemen maar vluchten en de geleider moet met hond de ander kant op draven. N.B. de hond moet altijd de winnaar blijven.

Het aanleren van en goede beet dient te beginnen op een zakje, daarna op een rol en daarna op een jonge hondenmouw. Na elke overstap dient men snel te beginnen de hond op buik of borst hoogte van de pakwerker te laten inbij­ten. Het overstappen van het laten bijten op zakje of rol naar het bijten op een mouw moet zo snel mogelijk gebeuren. Met het laten inbijten op een harde mouw moet men wachten tot het gebit echt volgroeid is en kan eventueel uitgesteld worden tot de fase die verderop wordt beschreven, waarbij de hond aan de paal gaat. Voor het aanleren van een betere grip kan men ook gebruik maken van een leren lap bevestigd aan een touw. De pakwerker laat de hond inbijten in de leren lap en trekt aan het touw. De hond zal nu in deze leren lap harder moeten bijten om deze te kunnen behouden dan in het geval van ander bijtmateriaal.

Zodra de hond goed bijt op de betreffende buit dienen deze oefeningen afgesloten te worden met een oefening buitdrift-afstandstellen. De pakwerker beweegt zich hierbij achteruit op een afstand van vijf tot tien meter van de hond terwijl men de hond de pakwer­ker achterna laat gaan. De geleider remt hierbij de hond m.b.v. een lijn aan het juttuig en wel zodanig dat deze steeds dichter bij de pakwerker komt. Op het laatste moment laat de geleider de hond schieten zodat deze goed in kan bijten. De buit behoort door de pakwerker hierbij op buik of borsthoogte gehouden te worden en de hond dient enigszins in de zij opgevangen te worden, wordt uitgedraaid en mag winnen. Geleider en hond verlaten samen met de buit snel het veld waarbij de hond niet op de buit mag verbijten.


Indien de hond al op een mouw mag inbijten maar de neiging heeft om richting punt of elleboog van de mouw in te bijten, kan men een speciaal geprepareerde mouw gebruiken om de hond te leren midden op het bijtstuk in te bijten. Deze preparatie kan bestaan uit het feit dat de mouw aan de zijkanten van het bijtstuk extra dik is gemaakt, zodat het middenstuk het "lekkerst" bijt voor de hond. Het zelfde effect heeft men als men kunststof kappen op zijkanten van het bijtvlak bevestigd.


10.7.3 De hond laten wennen aan de aanwezigheid van de geleider en dat deze hem streelt over de wangen terwijl hij op de mouw zit

Eventuele druk vanuit bijvoorbeeld het appèl en of het speuren moeten met deze oefeningen wegvloeien. M.a.w. de hond moet leren omgang en vertrouwen krijgen in het doen en laten van de gelei­der, ook gedurende het manwerk. Ondanks onze mooie theorie over het harmoniëren zal dit vertrouwen (nog) niet altijd aanwezig zijn.

De hond heeft een juttuig om en wordt hiermee vastgemaakt aan een paal m.b.v een lijn met paniekhaak (=de jutlijn). De lijn behoord circa 3 meter lang en op een hoogte van circa 120 centi­meter beves­tigd te zijn aan de paal. In de lijn behoort een sterke veer verwerkt te zijn die de schokken gedeeltelijk opvangt zonder een grote terugslag te bewerkstelligen. De lijn behoort bovendien helemaal strak te kunnen staan. M.b.v. de paniekhaak kan de hond snel los getrokken worden van de lijn ongeacht hier eventueel grote spanning op staat. Voordeel van een paal midden op het trainingsveld is de ruimte die er is om de hond aan te zetten. Voordeel van een paal helemaal aan de rand van het trainingsveld is het feit dat de hond went aan een compacte ruimte waarin hij zich dan bevindt.

De hond wordt aangezet laat men het initiatief van het jutwerk overnemen en mag dan inbijten op de mouw. De pakwerker zet de lijn op spanning en vermindert de actie zodat de gelei­der zijn hond kan strelen over de wangen. (Vergeet in dit soort situaties niet het al eerder aangegeven mogelijk probleem van een onrustige beet dat eventueel ontstaat als gevolg van het feit dat de hond zijn voorpoten tegen/op het lichaam van de pakwerker kan laten rusten.) Dan mogen geleider en hond de mouw (=buit) samen winnen. Samen winnen wil zeggen: de geleider doet een vlakke hand onder de bek van de hond, de pakwerker laat de mouw van zijn arm af glijden, de geleider hond de kop van de hond omhoog met de hand die onder de bek van de hond zit en met de ander hand streelt hij de hond over kop en de rest van het lichaam. Hond mag niet op de mouw verbijten. De hond moet tot rust komen in zijn buitdrift. Men laat de mouw na enige tijd lossen op de hiervoor al beschreven wijze (over het laten lossen gedurende een gevecht met de pakwerker later meer). Is de mouw los dan schopt de geleider de mouw een stukje weg zodat de hond er net niet bij kan en komt de pakwerker gelijk in actie. In plaats van samen winnen gaan gelei­der en hond na het winnen af en toe nog samen draven met de buit en na het halt houden laat men de hond ook weer tot rust komen in zijn buitdrift, om hem vervolgens de mouw te laten lossen zoals hiervoor beschreven.

Deze oefeningen worden afgesloten met oefening buitdrift-afstandstellen waarbij eventueel nog gebruik wordt gemaakt van een lijn aan het juttuig op de manier zoals hiervoor al beschreven en verlaten hond en geleider samen met de mouw snel het veld.


10.7.5 Een mogelijke bruikbare methode om te hond te leren vechten op de pakwerker

De hond zit vast aan een paal of de geleider fungeert als paal. De lijn zit bij de hond vast aan een prikketting die de hond om heeft. Hond mag inbijten. De pakwerker trekt de lijn strak, de hond krijgt dus een pijnprikkel. Gaat de hond nu trekken aan de mouw, dan wordt de spanning van de lijn gehaald. Eventueel kan ook gewerkt worden met de hond een juttuig aan met lijn en een prikketting om met een andere lijn eraan. Het aanzetten voor het bijten zou dan op het juttuig kunnen gebeuren, het daarna toedienen van de pijnprikkel via de prikketting. De hond leert dus....vechten voorkomt pijn of neemt de pijn weg.

Uiteraard moet de hond genetisch zodanig in elkaar zitten dat deze dergelijke trainingsmethodie­ken goed aan kan + de leeftijd er voor heeft en dus alleen maar sterker zal worden in zijn doen en laten.



10.7.6 De hond aanleren zitten en aanblaffen bij de pakwerker en vervol­gens het aanleren van het revieren naar de pakwerker toe

Deze oefening legt de basis voor het revieren naar het verstek, het aanblaffen na het lossen en dus de gehele bewaking van de hond bij de pakwerker. Om vermijdgedrag t.o.v. de geleider bij deze oefening te voorkomen is eerst een stukje ervaring vooraf met “drift -dwang -drift/driftbevrediging” oefeningen erg nuttig! (Zie voor deze oefeningen terug in dit hoofdstuk)

Hond zit wederom met juttuig aan de paal vast en heeft nu bovendien een extra lijn aan zijn halsketting (of prikketting) bevestigd die wordt vastgehouden door de geleider.

En hierbij behoor ik op het volgend gevaar te wijzen. Indien bij het manwerk gewerkt wordt met een lijn aan de halsket­ting van de hond is dit voor de pakwerker altijd een groot aandachtspunt. Het door de pakwerker per ongeluk trappen op deze lijn kan door de hond uitgelegd worden als een correctie door de pakwerker. Indien een lijn aan de halsketting van de hond bevestigd is zal de pakwerker dan ook enigszins aange­past manwerk moeten verrichten.

Het aanleren van het revieren en aanblaffen behoort dus met de jonge hond grotendeels in buitdrift te gebeuren. Sociale agressie en dwangactivering komen pas op latere leeftijd om de hoek kijken. Voor deze niet onbelangrijke theorie verwijs ik terug naar de tekst bij “De rol van de instructeur - de opbouw van de geleider in het harmoniëren” / bij het onderwerp “stellen en aanblaffen (de bewaking)”, alwaar deze materie uitgebreid aan bod komt.

Door jutwerk wordt gezorgd dat de lijn aan de paal strak komt te staan en vervol­gens begeeft de pakwerker zich, nadat hij de hond in de juiste drift heeft gebracht (en zeker niet in de hiervoor beschreven “overdrift”!), tot vlak voor de hond en wel zodanig dat deze niet in kan bijten. De geleider bevindt zich naast zijn hond, geeft zijn hond het commando revier en som­meert de hond te gaan zitten en aan te blaffen. (N.B. de hond moet al weten wat zitten is en moet weten wat luid is!! De commando's zit en luid moeten dus aangeleerd zijn voordat men met deze oefening kan gaan beginnen.) De geleider corri­geert de hond indien deze in wil bijten "zonder toestemming" m.b.v. stem en correctie met de lijn aan de halsketting. Indien nodig kan de pakwerker de hond prikkelen om deze actief te houden, maar moet dit niet meer doen dan nodig is. Immers is de hond al geleerd initiatieven te nemen voor wat betreft het aanblaffen! Indien de hond goed aanblaft volgt de beloning, m.a.w. de pakwerker laat de hond inbijten en werkt met de hond. Na kort met de hond gewerkt te hebben volgt het samen winnen zoals hiervoor al beschreven is.

Belangrijk is dat gedurende deze aanleerfase bij de correcties met de lijn de hond nooit ver van de pakwer­ker vandaan wordt getrokken! Indien de hond de neiging toont om bij correcties met de lijn zich van de pakwerker af te bewegen, moeten de correcties met de lijn voortaan richting pakwerker uitgevoerd worden. De hond wordt dus hier­bij tegen de pakwerker aan getrokken. Is de aanleerfase voorbij dat moet men zo wie zo de hond nooit voor het inbijten tijdens de bewakingsfase corrigeren door hem van de pakwerker af te trekken maar hem juist richting de mouw te corrigeren. De reden hiervoor zit hem in het feit dat als men corrigeert voor dit foutieve gedrag d.m.v. trekken aan de hond men tegen natuurlijk handelt. Door de hond te trekken wordt deze juist geprikkeld te blijven bijten!


Indien de oefening zitten en aanblaffen er goed in zit kan men de volgende stap nemen van deze oefening en dat is het revieren naar de pakwerker toe. Bij deze oefening wordt de hond tot op circa twee meter van de pakwerker getrokken en krijgt het commando revier. De pakwerker staat zodanig opgesteld aan het einde van de strakke jutlijn dat de hond niet in kan bijten. Indien de hond aangeeft te willen inbijten corrigeert de geleider hem met stem en de lijn die aan de halsketting zit. De hond wordt beloond voor het correct aanblaffen van de pakwerker door hem op te laten nemen door de pakwerker die dan kort met de hond werkt, waarna hond en geleider wederom samen de mouw winnen. Worden deze oefeningen door de hond uitgevoerd zonder dat er correcties door de geleider meer nodig zijn, dan kan men aan de volgende fase beginnen.

In deze volgende fase heeft de hond alleen een lange lijn aan de halsketting zitten en wordt vanuit zit positie naast de gelei­der op commando gerevierd naar de pakwerker toe, die op circa 2 meter afstand van de hond staat. Belangrijk is dat de hond geleerd wordt te wachten op het commando revier. De hond zal dus nu niet meer geblokkeerd kunnen worden door de jutlijn zoals in de vorige fase. De kunst voor de geleider is te zien dat de hond wel of niet wil gaan inbijten. Indien de geleider ziet dat de hond wil gaan inbijten behoord de geleider dat d.m.v. correcties met stem en of de lange lijn voor te zijn. Zodra de hond even correct aanblaft bij de pakwerker wordt hij hiervoor beloond door de pakwerker d.m.v. laten inbijten en dan kort met de hond te werkten, waarna hond en geleider wederom samen de mouw winnen. Vlak voor het moment dat er gebeten gaat worden, kan men de hond al enigszins aanspreken in zijn buitdrift door zeer langzaam wat spanning op de lijn te brengen. Na het winnen af en toe rond draven met de mouw door hond en geleider is prima.

Deze oefening dient zodanig opgebouwd te worden dat de afstand tussen hond en pakwerker, voor het commando revier, steeds groter gemaakt kan worden (tot circa 5 meter). De aanblafduur, voorafgaande aan het te het mogen inbijten, wordt ook langer gemaakt en men laat de hond gewennen aan het wat rond lopen van de geleider en "publiek".


Al deze oefeningen in de verschillende fasen worden altijd afgesloten met de oefening buitdriftafstandstellen.

Het kan zijn dat de hond nog extra aangesproken moet worden in zijn buitdrift en steun nodig heeft op het moment dat deze in heeft mogen bijten en in gevecht is met de pakwerker. Dit kan door de hond ook zijn juttuig te laten dragen met een lijn eraan en op het moment van gevecht, spanning op deze lijn te houden. Deze acties kunnen worden uitgevoerd door een derde persoon.

Als de hond tijdens het aanblaffen zich beweegt om de pakwerker heen of regelmatig om zijn as draait etc, dan moet men dit gedrag weg trainen. De hond moet zijn driftenergie niet gaan investeren in beweging. Het is een teken dat de hond op dat moment geen raad weet met het driftconflict. Men moet in dit geval de hond minder in zijn drift brengen gedurende het manwerk.

Het schuifelen door de hond, gedurende het aanblaffen, naar achter de mouw/pakwerker, kan de geleider corrigeren met de lijn aan de halsband. D.w.z. de posi­tie van de geleider is zodanig dat de hond bij correctie met de lijn (korte rukjes), recht voor de pak­werker/mouw getrokken wordt. De hond wordt dus niet van de pakwerker vandaan of tegen de pakwerker op getrokken. Overigens is dit schuifelen van de hond een vorm van enige onzekerheid.

De hond moet ook leren dat de geleider inkomt gedurende het aanblaffen, om hem te bra­ven d.m.v. en aai. De bewaking mag op dat moment niet verzwakken. Het moet de hond duidelijk worden dat de geleider niet alleen maar inkomt als er een correctie noodzakelijk is. Werk men hier niet aan, dan zal de hond vermijdgedrag gaan vertonen (t.o.v. de geleider!) op de momenten dat de geleider inkomt.

De hond kan dus, ondanks onze mooie theorie over het harmoniëren, wat moeite krijgt met zijn geleider door zijn correcties. Dit kan zich bijvoorbeeld ook uiten d.m.v. een onrustige wordende beet of zelfs spontaan lossen tijdens het bijten en het gevecht met de pakwerker op het moment van het inkomen van de geleider. Men moet hiervan niet al te veel schrikken indien men voorheen heeft waargeno­men dat de hond normaal gesproken een vaste en volle beet heeft.

N.B. de hond moet gedurende zijn gehele opbouw in de africhting leren omgaan met de druk komende vanuit zijn geleider.

Aan enige onrust bij de hond als gevolg van deze druk is in de regel niet aan te ontkomen. Al is het proberen om dit voor 100% te voorkomen met de harmonieringstheorie natuurlijk wenselijk, echter het zal niet voor iedere (onervaren) geleider haalbaar zijn.Deze onrust is een reactie op het doen en laten van de geleider en niet op dat van de pakwerker. Het is de taak van de geleider om het vertrouwen bij zijn hond terug zien te winnen, zonder toe te gaan geven bij het appèl gedeelte van het manwerk. Dit gebeurt vanzelf indien met een geschikte hond voor de africhting aan het werk is en men de opbouw van het manwerk goed blijft doseren. Op tijd een stapje terug in de opbouw en het tussendoor blijven doen van oefeningen zoals hiervoor beschreven bij "de hond laten wennen aan de aanwezigheid van de geleider..." kunnen nooit kwaad!

Heel het aanleren van het revieren en aanblaffen kan dus theoretisch geschieden zonder dat de hond in het vermijden raakt. Er moet dan een goed samenspel zijn tussen geleider en pakwerker. Beide moeten goed aanvoelen wat te doen om de hond in het functioneringsgebied te houden. Het zal uiteindelijk zo moeten zijn dat pijn/dwang de hond in drift moet brengen, niet in vermijden. M.a.w. verzwakkende bewaking kan dan d.m.v. prikken met de prikhalsband opgeheven worden en noodzakelijke correcties halt de hond niet uit drift. Een kenmerk van een goede opgebouwde activeringsdwang.


10.7.7 Hond revieren naar het verstek

Met deze oefening mag men pas beginnen als de vorige beschre­ven oefeningen perfect gaan. Kennismaking met het verstek dient niet gecombineerd te worden met al te veel druk. Het belang hiervoor is ook al beschreven in het hoofdstuk “Communicatie en hoe honden leren”, punt 6.9, “Moment van het toepassen van bestraffingstrainingen”. Het verstek mag dus geen plaats worden met een groot spanningsveld, daar dit later op een examen of wedstrijd alleen maar ten koste kan gaan van de bewaking.

De hond heeft wederom een lange lijn aan zijn halsband en wordt vanuit zit naast zijn geleider op commando gerevierd na het zesde verstek. Indien nodig wordt de hond door de geleider gecorrigeerd. Bij correct aanblaffen volgt er weer bijten, werken, winnen. Bij aanvang houdt men de afstand van de hond tot de pakwerker nog kort en staat de pakwerker nog naast tegen of voor het verstek. Bij een goede ontwikkeling van de oefening wordt de afstand groter gemaakt en gaat de pakwerker in het verstek staan. Correcties behoren nu niet meer nodig te zijn, hooguit een waarschuwing met de stem.

De volgende fase bestaat uit het revieren van de hond op commando vanuit achter het verstek. De hond heeft nog steeds een lange lijn aan. Hierbij zal de instructeur tekens moeten geven aan de geleider hoe de hond de oefening uitvoert. Immers de geleider kan niet de verrichtingen van zijn hond zien. Daarom wordt deze oefening bij aanvang uitgevoerd vanaf 1 meter achter het verstek, waarbij de instructeur zich zodanig opstelt dat deze de verrichtingen van de hond direct aan de geleider kan door­seinen. Indien nodig gaat de geleider zijn hond corrigeren, maar dit behoord dus eigenlijk niet meer nodig te zijn! Bij een correcte uitvoering van de oefening volgt weer het bijten, werken, winnen. Bij een goede ontwikkeling van de oefening wordt de afstand tot het verstek op het moment van het gaan revieren van de hond steeds groter gemaakt.

Al deze oefeningen in de verschillende fasen worden altijd afgesloten met de oefening buitdriftafstandstellen.


10.7.8 Het revieren van twee verstekken

Revieren van meerdere verstekken is een appèloefening. Men behoort er van overtuigt te zijn dat de hond "zuiver" zal zijn bij de pakwerker.

Men werkt men met een lange lijn zodat men kan corrigeren in het geval de hond wil uitbreken. Men bevindt zich circa twee meter voor het vijfde verstek met de hond aan de voet, gericht richting vijfde verstek. Men geeft het commando revier en loopt mee om het vijfde verstek heen, om vervolgens de hond door te sturen naar het zesde verstek. Na het kort correct aanblaf­fen van de pakwerker mag de hond als beloning bijten en buitmaken. Door dit zo te blijven herhalen zal de hond door krijgen dat zijn beloning zal volgen na het correct revieren van twee verstekken. De hond zal dan ook snel aantonen, dat men niet meer mee hoeft te lopen om het vijfde verstek heen, maar de hond zelfstandig het verstek zal nemen. Men kan de afstand tot het vijfde verstek steeds groter gaan maken.

Indien de hond de twee verstekken goed reviert, stopt men met het gelijk doorsturen van de hond na het zesde verstek, maar roept men de hond eerst bij je en zet hem even aan de voet. Door dit te doen legt men de basis voor het aanle­ren van het revieren van zes verstekken. Het te lang wachten met het gaan bijroepen van de hond legt de basis van het scheppen van een probleem bij het aanle­ren van het revie­ren van zes verstekken. Na het revieren is de vlucht een mooie oefening om te gaan uitvoeren.


10.7.9 De vlucht


De vlucht lijkt een betrekkelijk eenvoudige oefening om de hond aan te leren. Immers werkt de hond hier in zijn veilige buitdrift. Echter wordt er door diegene die meer willen dan alleen maar binnen hun eigen kring wat examens of wedstrijden draaien bij het aanleren van deze oefening vaak een grote denkfout begaan. Het probleem dat zich voor kan doen is namelijk deze. Bij het aanleren van de oefening ziet men vaak dat een methodiek wordt gehanteerd waarbij de pakwerker zich aanpast aan de hond. Deze methodiek bestaat er dan uit dat men de pakwerker in zodanige richting en snelheid laat vluchten en de mouw zodanig laat dragen dat de hond altijd goed inbijt op de bijtmouw. Zelfs op wedstrijden ziet men veel pakwerkers op dusdanige manier handelen. Echter zal men op een bepaald moment, zeker in het internationale circuit, in de problemen kunnen komen als men de hond opbouwt met hiervoor genoemde methodiek. Want het is niet anders dat er pakwerkers zijn die bij de uitvoering van de vlucht niet anders gewend zijn recht van de hond weg te vluchten en dit vaak met een grote snelheid en zeker niet hierbij de hond de bijtmouw aanbieden. Het gevolg is dan dat het gros van de honden die de vlucht met hiervoor genoemde techniek zijn aangeleerd bij deze pakwerkers inbijten op de elleboog van de bijtmouw. Maar je ziet ze dan ook vaak verkeerd timen in de afzet (te vroeg springen) naar de bijtmouw toe. Er bestaat echter een methodiek om dit probleem voor te zijn. Deze methodiek is veilig omdat de uitvoering ook in buitdrift plaatsvindt en leert de hond tevens goed te timen met de afzet en het midden van de bijtmouw op te zoeken. Dit wordt bereikt omdat de hond bij de vlucht dan geleerd wordt altijd onder het lopen niet de pakwerker maar de bijtmouw te blijven volgen. Daarbij ook niet te vroeg te springen (dus langer blijft lopen voordat hij springt naar de bijtmouw) en daarmee het midden van de bijtmouw op te zoeken en vol inbijt. Met deze methodiek wordt dus bereikt dat de hond wordt geconditioneerd op de bijtmouw, niet op de pakwerker. De methodiek wordt in de regel snelvoorbijloopstellen genoemd. Snelvoorbijloopstellen is dus een methodiek om de hond een goede techniek aan te leren voor de uitvoering van de vlucht.

De eerste fase van de methodiek van het snelvoorbijloopstellen luidt als volgt. De hond staat aan de linker zijde van de geleider, met zijn schouder tegen de knie van de geleider en verder met heel zijn lichaam recht naast de geleider.Het is zaak dat de hond in deze positie wordt gehouden maar mag niet onder appèl staan en moet hoog in drift zijn richting de pakwerker. Om deze positie te behouden houdt de geleider met zijn rechter hand de hond vast aan de halsband/ketting en met zijn linker hand drukt hij op de linkerflank van de hond. De pakwerker bevindt zich op circa 20 à 30 meter rechts van de geleider met zijn hond, op een hoogte van circa 5 meter voor de geleider en hond. De pakwerker brengt de hond in drift door middel van stemgeluid en of zweep etc en gaat daarna over in een draf richting geleider en hond. Hierbij houdt de pakwerker de hoogte van 5 meter voor de geleider en hond instant. De pakwerker blijft in deze rechte lijn lopen en is verder stil. Is de pakwerker circa 2 meter voor het punt dat hij op de circa 5 meter de geleider en hond zal passeren, dan laat de geleider zijn hond gaan met het commando STELLEN. De pakwerker blijft zijn rechte lijn volgen (in onderstaande tekening looprichtingnummer 1) en gaat de mouw zeker niet “steken” bij het inbijten van de hond. Als na enkele trainingssessies de hond dit spelletje goed onder de knie heeft en dus vol inbijt, dan gaat men met een nieuwe fase beginnen met de opbouw door middel van snelvoorbijloopstellen.

In deze fase begint men met twee keer de uitvoering van de oefening zoals in de eerste fase. De derde uitvoering heeft echter een plotselinge variant. Het moment dat de hond wordt los gelaten blijft het zelfde. Echter in plaats van dat de pakwerker zijn lijn blijft volgen, buigt hij ter hoogte van de geleider naar binnen toe af (in onderstaande tekening looprichtingnummer 2). In de regel zal de hond totaal verrast worden en daardoor in eerste instantie verkeerd lopen, springen en dergelijke. Belangrijk is nu dat als de hond daadwerkelijk helemaal verkeerd op de bijtmouw uit dreigt te komen, deze bewust door de pakwerker te laten misgrijpen door de bijtmouw weg te trekken van de hond voordat hij inbijt. Daarna behoort de pakwerker dan gelijk achteruit te gaan lopen en de hond in laten bijten. Door dit verrassingseffect en daardoor totaal verkeerd lopen/springen en dergelijke van de hond en daarom bestraft te worden door op dat moment niet in te kunnen bijten, zal de hond leren in het vervolg de situatie goed te blijven volgen. Hij zal leren langer te blijven lopen en dus later te springen en daarmee beter midden op de bijtmouw uitkomen. Want de volgende trainingssessies zullen bestaan uit het altijd te beginnen met een oefening met looprichtingnummer 1 en deze te laten volgen door een oefening met looprichtingnummer 2, 3 of 4 van onderstaande tekening.

Het mag duidelijk zijn dat de snelheid waarmee de pakwerker loopt bij de opbouw van deze methodiek en de exacte afstand ten opzichte van de hond en dergelijke, afhankelijk is van de motoriek van de hond. Jongere honden zullen gedurende de eerste fase wat meer tijd gegund moeten worden de situatie goed in te kunnen schatten. De snelheid van de gehele opbouw zal bij elke hond mogelijk anders verlopen.

Als in de loop van de trainingssessies blijkt dat de hond de techniek goed is gaan beheersen met al zijn mogelijke varianten van looprichtingnummers. En dus geleerd heeft lang te blijven lopen, de bijtmouw daarbij te blijven volgen, niet vroeg te springen en het midden van de bijtmouw op te zoeken. Dan kan men de vlucht gaan uitvoeren zoals voorgeschreven in het IPO/VH programma. De techniek voor deze oefening moet dan aanwezig zijn. Aanpassen aan de hond moet niet meer nodig zijn.


10.7.10 Het uitroepen uit het verstek

De oefening “het uitroepen uit het verstek” is een lastige oefening om deze optimaal in de uitvoering te houden. Er zitten namelijk twee elementen in het stellen en aanblaffen in het verstek die elkaar in de weg staan. Het eerste element is een perfecte bewaking wat bereikbaar is door veel drift naar de pakwerker. Daar tegenover staat het element appèl in de vorm van het uitroepen. Zuiver theoretisch kan men stellen dat men van deze oefening een 100% "drift – dwangoefening” moet maken. Dit is praktisch echter een moeilijke klus. De hoge moeilijkheidsgraad zit hem in het feit dat bij de beoordeling op een evenement men verwacht zowel in de bewaking als bij het uitroepen perfectie te zien. Dit houdt in dat enige onrust in de bewaking, snel even omkijken naar de geleider, of een korte hapering in het aanblaffen punten kost. Dit geldt ook voor het niet snel op commando aan de voet komen. Feitelijk moet dus de hond een switch kunnen maken van 100% drift naar 100% dwang. Bij het aanleren van een dergelijke switch hoort een hond met een zeer sterk karakter. Zeker als men bedenkt dat de drift waarover ik hier spreek in de meest ideale uitvoering van de oefening vervangen dient te worden door activeringsdwang. Daarom ben ik ook voorstander om het uitroepen pas aan te gaan leren als de hond enigszins volwassen begint te worden. Daarnaast eist het aanleren van deze oefening op hiervoor beschreven wijze een geleider met veel gevoel bij het africhten.

Het is de grote kunst om in de praktijk voor een bepaalde combinatie hond-geleider de juiste bijhorende trainingsmethodiek te vinden. Men kan er in beginsel altijd van uit gaan dat men wil gaan werken naar een 100% vorm van drift en dwang methodiek. Dit is dus theoretisch de meest ideale vorm. Het kan echter blijken dat gaande het werken hier naar toe voor bepaalde combinaties een variant hierop idealer is. De hieronder volgende beschreven aanleermethodiek gaat er dan ook vanuit het willen gaan creëren van een 100% drift dwang oefening, waarbij het eventueel moeten uitwijken naar varianten hierop in het slot van het verhaal meegenomen wordt. De “varianten”-methodiek zal vaak voor een combinatie het meest ideale blijken!

Om de beschreven praktische opbouw van de oefening goed te kunnen volgen geef ik eerst uitleg wat moet worden gezien in het drift en het dwang element.

De drift die aanwezig moet zijn richting de pakwerker mag duidelijk zijn. Deze is te creëren door de hond vanuit zijn bewaking buit te laten maken (buitdrift gecreëerd door verwachte buitdriftbevrediging).

Het dwanggedeelte moet men belichten in twee verschillende elementen. Het eerste dwanggedeelte is perfect te moeten blijven bewaken. Met andere woorden, de hond moet geleerd worden dat het laten wegvallen van de bewaking geen gunstige gevolgen voor hem heeft. Het principe van negatieve bekrachtiging wordt toegepast. Het zal hierbij heel praktisch zijn als dit zou kunnen geschieden in de vorm van psychische druk door middel van alleen stemgeluid (NEE, FOEI, REVIER, LUID) van de geleider. Dit omdat direct naar de negatieve bekrachtiger activeringsdwang moet worden toegepast. Deze activeringsdwang vervangt of vult aan de hiervoor genoemde buitdrift die er is richting de pakwerker. Activeringsdwang moet natuurlijk wel voor de hond al een bekend onderwerp zijn. We moeten niet de hond bekend gaan maken met het begrip activeringsdwang in combinatie van het perfectioneren van de oefening stellen en aanblaffen in het verstek met uitroepen. Aanleren van de verschillende elementen van een oefening moet altijd zoveel mogelijk van elkaar gescheiden plaatsvinden om ze vervolgens zonodig in combinatie met elkaar te gebruiken.

Het tweede dwanggedeelte is het vanuit de bewaking op commando aan de voet komen. De hond is dus hiermee in de technische passieve dwang gekomen.

Kort samengevat. De hond wordt door drift gemotiveerd naar de pakwerker te revieren. Het laten wegvallen van de bewaking wordt met behulp van een negatieve bekrachtiger herstelt waarbij direct daarna de hond in drift wordt gebracht door middel van activeringsdwang. Vervolgens maakt de activeringsdwang plaats voor technische passieve dwang in de vorm van aan de voet zitten bij de geleider. Hierbij is ons theoretisch verhaal van dwangharmoniering weer compleet.

Het praktisch aanleren van de oefening kan er als volgt uitzien.
De oefening moet in alle rust en over een periode van meerdere trainingsdagen aangeleerd worden. Uiteraard behoort de hond het commando “voet” al te kennen en zonder correcties schoon te zijn bij het revieren naar de pakwerker toe. De eerste voetoefeningen bij het manwerk behoort te geschieden als de hond laag drift is. Men laat de pakwerker zonder enige beweging midden op het trainingsveld op circa 15 meter van de hond staan. De hond behoort rustig aangelijnd aan de voet van de geleider te zitten. De geleider geeft zijn hond het commando “blijf” en doet vervolgens één stap naar achter, wacht twee seconden, geeft het commando “voet” en maakt eventueel gebruik van de lijn. Deze oefening herhaald men enkele trainingsdagen waarbij men de afstand hond – pakwerker langzaam kleiner kan maken tot circa 5 meter. Gaat dit prima dan kan men het werkelijk aan de voet roepen vanuit de bewaking gaan oefenen. Maar doe dit niet in het verstek. Revier de hond aan met de pakwerker staande op circa 3 meter tegen bijvoorbeeld een boom of muur. Aai de aangelijnde hond als deze in zijn bewaking zit, doe een stap naar achter en geef het commando “voet”. Herhaal de oefening maar laat nu na het aaien van de hond de hond opnemen door de pakwerker. Herhaal deze oefeningen wederom enkele trainingsdagen waarbij men de volgorde van eerst op laten nemen na de aai of eerst uitroepen afwisselt. Ook de locatie van het aanrevieren kan men wisselen zolang het maar niet bij het verstek betreft. Het uitroepen bij het verstek gaat men pas in de praktijk brengen als op de andere locatie dit prima verloopt. De reden hiervoor mag duidelijk zijn, het verstek mag geen locatie worden wat omgeven wordt door stress.

Er zal een moment komen dat de hond wisselwerking dreigt te gaan tonen van in drift te willen blijven richting pakwerker en het uit eigenbeweging aan de voet willen komen. Het is belangrijk bij de eerste symptomen hiervan op de juiste wijze op te treden. Met andere woorden…. de negatieve bekrachtiger wordt ingezet met direct daarop volgend de activeringsdwang. Vanaf dat moment zijn er meerdere varianten toe te passen die men in de regel afwisselend moet gaan toepassen om met de hond een perfecte uitvoering van de oefening te behouden. De varianten die kunnen volgen op de activeringsdwang zijn..

-Hond in passieve technische dwang brengen en over te gaan naar de voorbereiding van de vluchtoefening.

-Hond in passieve technische dwang brengen en vervolgens weer op commando te laten revieren naar de pakwerker. De hond wordt dus teruggebracht in zijn activeringdwang.

-De hond op laten nemen door de pakwerker en naar enige actie in het verstek op commando laten lossen. Dwangactivering zal voor de hond dan de motivatie moeten zijn om tot een perfecte bewaking over te gaan.

-De hond in een correcte bewakingsfase buitbevrediging geven.



Theoretisch zal men de ideale vorm van dwangharmoniering bij de oefening hiermee kunnen bereiken. Echter kan het al gebleken zijn dat de hond niet om kan gaan met activeringsdwang. Of dat het totale pakket van opbouw zoals hiervoor beschreven voor de hond te zwaar is. Ook kan blijken dat het gehele verhaal door de geleider niet in de praktijk te brengen is in dat geval zal er een keuze gemaakt moeten worden uit theoretisch minder ideale vormen.

-Men zou er voor kunnen kiezen om de activeringsdwang achterwege te laten en alleen de buitdrift bij het gehele verhaal te betrekken. Hiermee is dan wel de dwang tot het moeten bewaken weggevallen!

-Een ander keuze is de hond het uitroepen aan te leren om vervolgens alleen nog op evenementen uit te gaan roepen. Dit is een variant die de hond snel door kan hebben. Het gevolg kan zijn een perfecte training maar het op evenementen vroegtijdig verlaten van het verstek omdat de hond weet dat hij toch niet mag bijten en dus dan maar liever over gaat tot de voorbereiding van de vlucht waar wel bijtacties zullen volgen.

-Een andere variant die men ziet is dat de geleider niet meer bij het bewakingsverhaal wordt betrokken maar alleen nog de pakwerker dit in laat vullen. De pakwerker in zijn rol als vechtpartner wel te verstaan! Het hele verhaal wordt dan wel sterker pakwerker afhankelijk. Intrainen op de betreffende pakwerkers voor een evenement is in de regel dan een must.

-Het combineren van hiervoor genoemde of niet genoemde varianten is uiteraard ook nog een keuze optie. Ze zullen allemaal hun voor nadelen kennen.


10.7.11 Revieren van vier en zes verstekken

Revieren van de verstekken blijft een moeilijke oefening. De opbouw van het revieren van twee verstekken, zoals hiervoor beschreven, zou weinig problemen geven en een goed resultaat. Het probleem bij de opbouw van het aanleren van het revieren van vier of meer verstekken is het feit dat het direct corrigeren van de hond, op het moment dat hij in de fout wil gaan, steeds moeilijker wordt. Immers de afstand geleider - hond zal steeds groter worden en de hond kan deze verkregen vrijheid een eigen invulling willen gaan geven.

Voor welke trainingsmethode men ook kiest, aan één bepaalde fase in de opbouw van het aanleren van het revieren is niet voorbij te gaan. Dit is de fase dat de hond onder dwang, zonder in te werken op welke wijze dan ook, zes verstekken moet gaan revieren. Revieren blijft een appèl oefening die de hond aan het einde van zijn opbouwperiode zonder protest behoord uit te oefenen. Daarom moet men ook zodra de hond de oefening het revieren van twee verstekken goed beheerst, direct beginnen met het aanleren van het revieren van meer dan twee ver­stekken.


De eerste methode die ik beschrijf ligt in het verlengde van de methode die gebruikt is bij het aanleren van het revieren van twee verstekken. De hond heeft al geleerd, na het revieren van een verstek, terug aan de voet te komen alvorens door te mogen revieren naar de pakwerker. Zo gaat men nu de eerste vier verstekken revieren. Met andere woorden. Verstek één tot en met vier worden één voor één gerevierd. Een lange lijn aan de halsketting van de hond geeft de mogelijkheid de hond snel naar je toe te trekken als deze in de fout is gegaan. Aangekomen bij het vierde verstek behoord de hond kort correct aan te blaffen en mag buitmaken. Als het één voor één revieren goed verloopt, kan men aanvangen met het twee aan twee revieren van de eerste vier verstekken. Met andere woorden. De hond reviert dan verstek één en twee om vervol­gens aan de voet te worden geroepen. De geleider en hond gaan vervolgen tussen verstek drie en vier staan en deze worden gerevierd, waarna na het kort correct aanblaffen in het vierde verstek wederom het buitmaken volgt. Gaat het revieren van de eerste vier verstekken om deze wijze uitstekend volgt de zelfde methode van het twee aan twee revieren van zes verstekken. Is deze oefening bijgebracht dan kan men beginnen met de hond meer dan twee verstekken te gaan doorsturen tot de hond uiteindelijk het revieren van de zes verstek­ken volgens de eisen van het programma is aangeleerd. Het nadeel van deze methode is het feit dat de hond de verstekken moeilijk gaat aannemen. Regelmatig zullen er in de opbouw stapjes terug moeten worden gedaan. Ideaal zou het dus zijn als de hond meer is zijn drift gehouden zou kunnen worden. De volgende methode kan misschien uitkomst brengen.

Deze tweede methode die ik beschrijf is gebaseerd op de toe­pas­sing van het eerder beschreven "drift - dwang - drift/driftbevrediging" principe. Voorwaarde om met deze methode succes te boeken is: één, zo nodig twee gemotiveerde pakwerkers en een gemotiveerde geleider, allen met veel discipline bij het africhten van een hond. Er zal bij deze methode meer discipline verlangd worden van alle betrokkenen.

De hond staat dus wederom op het punt dat deze de methode van het revieren van verstek vijf en zes correct heeft afgerond. Deze zelfde oefening wordt nu uitgevoerd bij het eerste en tweede verstek, maar echter met een groot verschil. Voordat de geleider de hond naar het eerste verstek stuurt wordt deze opgejut door een pakwerker die staat bij het tweede verstek. De pakwerker stopt met het jutten, de geleider sommeert zijn hond, die wederom een lange lijn aan zijn halsketting heeft, af te gaan met de kop richting eerste verstek en reviert hem vervolgens om het eerste verstek heen. Vervolgens reviert hij zijn hond gelijk door naar het tweede verstek. Men kan vervol­gens kiezen uit twee opties. De eerste is de hond correct kort aan te laten blaffen en vervolgens te laten inbijten en gelei­der en hond samen te laten winnen. Echter kan men ook kiezen voor de tweede optie, waarbij het volgende gebeurt. Zodra de hond nu bij het tweede verstek arriveert, vlucht de pakwerker langs het ver­stek weg richting derde verstek en wel aan de andere zijde dan dat de hond bij het verstek aankomt. De hond zal dus de vluchtende pakwerker moeten stellen (deze oefening moet de hond dus beheersen), waarna het samen winnen zal plaatsvinden. De pakwerker zal dus zo snel op de situatie moeten kunnen inspelen, dat de hond kort om het tweede verstek heen draait en de achtervolging inzet. Bij deze tweede optie wordt de hond ook bij het aannemen van het tweede verstek nog hoger in zijn drift gehouden.

Het vervolg van het verhaal kan zijn dat nu na het samen winnen en het afgeven van de mouw, een tweede pakwerker bij het derde verstek jut de hond en vervolgens weer het de dwang van af volgt en daarna het commando revier richting verstek drie. Bij aankomst van de hond bij het derde verstek heeft men wederom de keuze uit de opties van aanblaffen-buitmaken of vlucht-buitmaken. Het andere vervolg na het revieren van verstek één en twee kan zijn dat men verstek drie en vier reviert als men verstek één en twee heeft gedaan.

Zo kunnen al de zes verstekken gerevierd worden, met daarbij de keuze hebbende uit alle mogelijke opties die er zijn in de uitvoering.

Hoewel bij aankomst van de hond bij het verstek de hond het hoogst in zijn drift gehouden met een vlucht van de pakwerker, zal toch altijd regelmatig gecontroleerd moeten worden of de hond de pakwerker nog correct gaat aanblaffen indien deze in het verstek blijft staan. Het zou dom zijn de goed opgebouwde oefening revieren en aanblaffen te niet te doen.

Bij het vervolg van deze methode, gebaseerd op het "drift - dwang - drift/driftbevrediging" principe, moet de hond, na opgejut te zijn, steeds meer verstekken revieren alvorens buit te mogen maken. Hierbij gaat men dus langzaam richting de fase dat de hond onder dwang zes verstekken moet gaan revieren, zoals geëist voor het correct uitvoeren van het programma. Het laten aannemen van de verstekken zou nu, met de hond hoger in zijn drift, makkelijker uitvoerbaar moeten zijn. Om de hond in deze hogere drift te houden, zou men het "drift - dwang - drift/driftbevrediging" principe regelmatig moeten blijven toepassen.



De keuze van de methode voor de opbouw van het revieren van zes verstekken moet men afstemmen op de combinatie hond-geleider waarmee men te maken heeft. Elke methode heeft zijn voor- en nadelen en bij elke combinatie hond-geleider zal de reactie op de toepassing van een bepaalde methode anders zijn.

Als men eenmaal zo ver is dat men met het revieren van zes verstekken kan beginnen, is het meest praktisch en meest logisch dat de verstekken trapsgewijs staan. Toch kan het nuttig zijn, indien het revieren aardig onder controle is, de verstekken per paar recht tegen over elkaar te gaan zetten. Het revieren op zich wordt dan veel moeilijker, mede doordat de afstand die men een hond moet doorsturen naar de volgende twee verstekken veel groter zal zijn. Als de hond op deze wijze van revieren goed onder de knie heeft zou deze theore­tisch totaal geen moeite mogen hebben wanneer de verstekken op een examen of wedstrijd trapsgewijs staan.

Wat altijd belangrijk blijft bij het revieren is dat de hond de commando’s HIER en REVIER serieus blijft nemen. M.a.w. de hond moet duidelijk regeren op het commando HIER door contact te zoeken met de geleider. Het moet voor de hond een vraag blijven of deze daadwerke­lijk “voor” moet komen of dat het commando REVIER zal volgen. Het revieren mag geen automatisme worden van het aflopen van zes verstekken. De hond regelmatig daadwerkelijk “voor” te laten komen kan dit automatisme voorkomen. Op “vreemd” terrein kan men bij het serieus nemen van de commando’s HIER en REVIER door de hond, veel profijt hebben bij het sturen naar de juiste richting. Daarnaast is het een controle op daadwerkelijk behoud van appèl bij het revieren.

Een ander voordeel wat ontstaat als de commando’s HIER en REVIER serieus blijven voor de hond, is dat men meer kans heeft dat de hond kort om de verstekken heen blijft draaien en niet met grote bogen er om heen gaat draaien. Ook het feit dat de verstekken recht tegenover elkaar staan draagt aan het korter draaien bij. Een andere truc om het korte draaien te bevorderen is om van verstek 3 en 5 verstek 4 en 6 van te maken. M.a.w. revier dus al snel twee richtingen, ook op eigen terrein. Nog een bijdrage kan zijn door de pakwerker, zichtbaar voor de hond, positie te laten nemen in het vierde verstek. De hond laat men twee aan twee revieren. Is de hond na het revieren van het eerste en tweede verstek terug bij de geleider, dan loopt de pakwerker rustig op naar het zesde verstek, waarna men vervolgens de hond het derde en vierde verstek laat revieren en zich laat melden en tenslotte vijf en zes laat revieren.


10.7.12 Rugtransport en de overval


Rugtransport wordt aangeleerd met de hond aan een normale korte lijn. Bij de eerste overvallen wordt de hond door een achteruit bewegende pakwerker opgevangen. Afhankelijk van hoe sterk de hond al geprikkeld is in zijn verdedigingsdrift, worden ook bij de overvallen zijn verdedi­gingsdrift geleide­lijk aan steeds meer aangesproken.

Regelmatig halt houden, bij de hoeken een keer om de as heen draaien + halthouden, de pakwerker de geleider met hond tege­moet laten lopen en de daadwerkelijke overval altijd uitvoeren van uit stilstaand met de hond zittende aan de voet van de geleider, het zijn allemaal oefeningen die de controle over de hond geduren­de het transport vergroten.

Ook het "drift - dwang - drift/driftbevrediging" principe is goed in deze oefening te verweven.

Indien de combinatie hond-geleider problemen blijft houden met het trans­port voorafgaande de overval, dan kan de overval bij de trainingen beter ach­ter­wege gelaten worden. Echter moet dan van worden uitgegaan dat de hond met de overval geen problemen kent.

10.7.13 Het lossen

Het aanleren van het lossen is een belangrijke fase in de opbouw waar heel veel fout kan gaan. Een tijdstip aangeven wanneer men de hond moet gaan aanleren wat lossen tijdens een gevecht met een pakwerker is, is moeilijk aan te geven. In iedere geval niet te vroeg mee beginnen, maar bij sterk doorgroeiende honden niet te lang mee wachten. Het is dus sterk afhankelijk van de combinatie geleider-hond waarmee men mee te maken heeft.

De stelling “zodra de hond kan bijten moet hij ook lossen” zie ik geen logica in. Men moet bij dit punt met één ding tegelijkertijd bezig zijn om conflict situatie te voorkomen. Leer de hond eerst een optimale beet aan met gebruikmaking van de op dat moment gewenste driften en zorg er eerst voor dat de hond groeit t.o.v. de pakwerker. Zou men in deze opbouwfase al direct beginnen men de hond van de mouw te trekken dan is dit vragen om onbegrip van de hond met alle gevolgen van dien. Begin dus pas met het aanleren van het lossen tijdens het manwerk als de beet hard, vol en rustig is. Dit omdat het aanleren van het lossen namelijk bijna altijd zo wie zo een lichte terugslag te zien zal geven in de beet. Was de beet voor het gaan toepassen van het lossen correct, dan zal de beet op korte termijn weer als gewenst zijn. Was de beet voor het gaan toepassen van het lossen al slecht, dan zal deze nog slech­ter worden en zal men niet meer de gelegenheid hebben dit te corrigeren.

Daarnaast is het zo dat de oefening revieren en bewaken perfect moet zijn. Immers, de situatie na het lossen behoort een perfecte bewaking te zijn. Beheerst de hond deze niet dan is men wederom met twee dingen tegelijkertijd bezig wat ver van een ideale situatie is.

Het commando “LOS” kan men de hond het beste aanleren buiten het manwerk om. Dit zal gemakkelijker gaan daar de hond dan wat lager in drift te houden is en men zelf alles onder controle kan houden zonder afhankelijk te zijn van het doen en laten van een pakwerker. Het afgeven van de buit moet nu hier voor de hond een positieve ervaring worden en zeker niet leiden tot grote frustraties bij de hond. Nu een positieve ervaring bij het afgeven van de buit zal het lossen op commando na het winnen van de mouw of tijdens een gevecht met een pakwerker alleen maar gemakkelijker maken. Ik zal twee bekende bruikbare afgeefmethode beschrijven. Voor welke "LOS"-methode men ook kiest, het moet uiteindelijk zo zijn dat de hond het lossen nu zodanig ervaart als een positieve handeling. M.a.w. de hond moet gemotiveerd zijn om te lossen. Vooral als de hond weet dat het lossen weer drift zal brengen zal het moeten lossen eerder voor de hond een vrijwillig afgeven worden!

1)Van Helmut Raiser komt het "los en drift". Bij deze methode moet de hond de buit lossen op commando waar na binnen een seconde de hond weer in drift wordt gebracht d.m.v. het ophitsen met de buit. Het goede van de methode berust op het feit dat de belevenis van het in drift komen vele malen sterker is dan de eventuele frustratie van het moeten lossen van de buit.

2)Van Jaki Horst komt het "lossen door het in rust komen". De in drift gebrachte hond maakt buit en komt tot rust. Dit tot rust komen is dan het gevolg van de ontspanning die ingebouwd is d.m.v. rustig aanhalen, toespreken etc. Door de hond "AF" te laten gaan met de buit kan men vaak deze ontspanning ook bewerkstelligen. Komt de hond tot rust, m.a.w. zakt de drift weg, dan lost de hond vaak de buit uit zichzelf. Zoniet, dan laten we de hond, nu laag of niet meer in drift, de buit op commando lossen. Na het lossen blijft de rust, d.w.z. men houdt de hond nog enige tijd uit drift en we gaan niet de drift snel aanwakkeren door de buit snel van de hond vandaan te nemen.

Deze twee afgeefmethoden zijn dus ook altijd goed toepasbaar voor het afgeven van de mouw op commando na het winnen. Maar leer de hond eerst op deze wijze het commando “LOS” met behulp van bijvoorbeeld een balletje. Daarna kan men zelf met de hond wat stoeien om een mouw waarbij men deze wederom op de zelfde wijze leert op commando de mouw te lossen.


Heeft de hond het commando “LOS” begrepen en positief ervaren dan kan men over gaan met het lossen gedurende het manwerk. Lossen tijdens het gevecht met de pakwerker kan men de hond aanleren met een lange lijn aan zijn (prik)ketting. De hond zit op de mouw en de lijn wordt dusda­nig gemanoeuvreerd dat deze tussen de benen van de pakwerker doorloopt naar achter de pakwerker alwaar een "helper" de lijn vast­houdt. Na het com­mando “LOS” van de geleider, die zich circa 1 meter van zijn hond bevindt, geeft de "helper" indien nodig korte maar krach­tige rukken aan de lijn. De hond wordt dan dus als het ware onder de mouw door ge­trokken. Op het moment dat de hond lost stimu    leert de gelei­der de hond de pakwerker aan te blaffen. Dit aanblaffen is dus voor de hond een bekend iets. De "helper" kan de lijn ook nog eventueel gebruiken om de hond dicht bij de pakwerker te laten bewaken.

Het leren lossen op deze manier, waarbij de hond dus onder de mouw wordt getrokken i.p.v. de mouw af d.m.v. correcties met een lange lijn vanuit achter de hond (en dus voor de pakwer­ker), kan belangrijk zijn. Er zijn honden die bij het trekken van de mouw af en dus gecorrigeerd worden op de keel i.p.v. in de nek, alleen maar meer verzet gaan vertonen en niet willen lossen. Ik heb er al eerder opgewezen dat het van de pakwerker aftrekken een tegen natuurlijke acties is voor het bereiken van lossen en het schoon blijven.

Indien de hond duidelijk is wat lossen is moet de rol van de "helper" verdwijnen en de commando's en correcties alleen nog van de geleider komen. De geleider moet de zaak afdwingen bij zijn hond. Ook de pakwerker behoort zich niet met het lossen te bemoeien. Verstandig is wel de lange lijn aan de hond bevestigd te laten, zodat de geleider zijn hond snel kan grijpen indien deze zijn straf wil gaan ontlopen (=wegspringen) op het moment de geleider op de hond inloopt om deze te corrigeren voor ongeoorloofd gedrag.

Ook moet men het lossen oefen waarbij de pakwerker de mouw niet helemaal voor zich trekt of doet dat hij niet goed stil kan blijven staan omdat de hond zo sterk vecht.

Het is goed om te weten dat een hond die werkende is in buitdrift en dan moet lossen, de hond moeilijk in de actieve agressie kan komen of te brengen is. Een hond die werkende is bij meer dreiging (verdedigingsdrift) en dan moet lossen komt sneller in actieve agressie of is sneller in actieve agressie te brengen. Echter is het ook weer zo dat lossen gedurende het werken in buitdrift voor de hond gemakkelijker is dan het lossen gedurende het werken in verdedigingsdrift. Heeft de hond niet het vermogen om na het lossen in actieve agressie te komen maar in verdedigingsdrift blijft hangen, dan zal deze snel een “natuurlijke afstand” innemen t.o.v. de pakwerker. D.w.z. dat het dan onvermijdelijk is deze hond in buitdrift te moeten brengen om hem onder de mouw te houden.

Het kan voorkomen dat de hond op een bepaald moment de neiging heeft te gaan lossen zodra de actie van de pakwerker wat minder wordt en dus voor het commando “los” gegeven is. Men kan dit gaan verhelpen door de pakwerker soms met zeer weinig actie te laten werken en de hond daarbij te “irriteren” met wat tikjes met de stok of dergelijke, zodat deze gestimuleerd wordt te blijven vechten met de pakwerker. Hierbij laat men de hond dan soms lossen en soms de buit gelijk winnen gedurende het gevecht.


10.7.14 Het betere alternatief voor de stille bewaking­

Een onrustige aanblaf in de bewakingsfase kan zich vertonen in de vorm van hoog opspringen, ver boven de mouw aanblaffen, om de as heen draaien e.d. Buiten dat dit mogelijk bij de beoordeling uitgelegd kan worden als neurotisch, kan de hond ook problemen hebben om goed in de mouw in te bijten bij de overval uit de bewaking. Bij dergelijke honden gaat men daarom vaak over tot het aanleren van een zogenaamde stille bewaking. Dat de hond in het verstek moet aanblaffen en in de overige situaties niet is in de regel de hond snel aan te leren. Echter de nadelen van een stille bewaking zijn al hiervoor beschreven bij “revieren en aanblaffen (de bewaking)”. Een mogelijke oplossing om een te onrustige “aanblaf”-bewaking aan te pakken zonder stille bewaking toe te passen kan de navolgende zijn.

De hond heeft ingebeten in de mouw en is in gevecht met de pakwerker. De pakwerker brengt de hond, terwijl deze in gevecht met hem is, naast de geleider. De geleider prijst zijn hond d.m.v. aaien over de rug. Nu komt het moeilijkste gedeelte. De geleider probeert de hond d.m.v. een rustig commando “ZIT” en d.m.v. betasten van de hond de hond zover mogelijk in een zithouding te krijgen. De pakwerker houdt de hond op de mouw door de hond rustig in gevecht te houden.. Een totale en rustige zithouding en bijten zou wel erg veel gevraagd zijn maar een min of meer zithouding moet haalbaar zijn. Is de gewenste situatie bereikt dan laat men de hond winnen. Nadat deze werkwijze enkele keren is herhaald laat men i.p.v. winnen de hond lossen. Heeft de hond gelost dan stimuleert de geleider de hond om aan te blaffen en te blijven zitten. Nu kunnen eventueel ook lijncorrecties gebruikt worden. Als de hond heel even het gewenste gedrag vertoond laat men deze inbijten en de mouw winnen. Door nu deze oefening vaak genoeg te herhalen, waarbij de hond soms mag winnen en soms moet lossen, kan men meer rust in de bewaking krijgen. De opbouw m.b.v. deze methode wordt afgesloten met het feit dat de geleider steeds meer afstand neemt van zijn hond en de hond langer laat aanblaffen.



10.7.15 Afstandstellen

Al bij voor de hond eerste kennismakingen met het manwerk wordt de oefening afstandstellen in buitdriftvorm uitgevoerd. Meestal als afsluiting van de trai­ningen, daar dit op deze wijze een mooie oefening is om de hond sterk het veld te laten verlaten. Geleidelijk aan behoord de hond bij deze oefening steeds meer aange­sproken te worden in zijn verdedigingsdrift. Bij het theoretische gedeelte betreffende het manwerk heb ik het hoe en waarom al uitgebreid beschreven. Wat dit betreft is er een overeenkomst met de oefening de overval, komende na het rugtransport.

Bij de training van de oefening afstandstellen voor de uitvoering volgens het IPO-programma, is het moeten blijven zitten, ondanks het inkomen van de pakwerker, het grootste probleem voor de hond. Het beste kan men bij de training van deze oefening het inkomen twee keer door de pakwerker uit laten voeren. Bij de eerste keer inkomen stuurt de geleider zijn hond niet richting pakwerker, maar laat deze aan de voet zitten. De pakwerker houdt vijf meter voor hond en geleider halt en loopt terug richting verstek. Bij het tweede keer inkomen van de pakwerker stuurt de geleider zijn hond wel, zei het ook altijd veel later dan deze normaal gesproken op teken van de keurmeester gestuurd zou moeten worden. Het appèl wordt bij deze manier van trainen extra getoetst en wordt de hond min of meer geleerd pas de tweede keer en dan nog vrij laat pas ge­stuurd zal worden. Op een examen of wedstrijd komt dit laatste goed van pas.


10.7.16 Zijtransport en het afmelden/pakwerker van veld sturen

Bij de opbouw van deze oefening is het de kunst te bereiken dat de hond attent richting pakwerker blijft, zonder te gaan stoten of in te bijten gedurende het zijtransport of afmelden. Afhankelijk van de combinatie geleider-hond waar mee men te maken heeft, moet men de hond door de pakwerker laten active­ren en of zelfs buit laten maken bij de uitvoering van de oefe­ning zijtransport en afmelden of...., dit juist achterwege laten.

Dit geldt ook voor wat te doen na de oefe­ning pakwerker verlaat het veld. Mag de hond nog één keer buitmaken en met buit het veld verlaten of mag hij dit juist niet?



10.7.17 Verankering in buitdrift voorkomen

Ik heb eerder al gesproken over het feit dat men moet voorkomen dat een hond gedurende het manwerk verankerd wordt in buitdrift. M.a.w. de hond is zolang bewerkt met buitdrift gedurende het manwerk dat deze niet meer in de actieve agressie te brengen is, ondanks deze actieve agressie genetisch wel aanwezig is. Daarom geef ik nog deze oefening, waarbij er aan gewerkt wordt dat de hond de pakwerker als een “onbetrouwbare” vechtpartner blijft zien of gaat zien.

De pakwerker benadert de hond, die in passief vermijden is en aan een lijn vast ligt, rustig en vriendelijk. De hond gaat men hiermee misleiden want als de pakwerker op circa twee meter afstand van de hond is voert deze een (schijn)aanval uit op de hond. De geleider stimuleert de hond dan zich te verweren, de pakwerker vlucht, als reactie op het verweer van de hond, weg. De (schijn)aanval op de hond moet natuurlijk goed gedoseerd zijn. Het gewenste effect moet daar zijn, vermijdgedrag mag niet ontstaan. De pakwerker wordt dus een “onbetrouwbare” vechtpartner waar men alert op moet blijven, maar in elke situatie te overwinnen is.


10.7.18 Bewaking te sterk in buitdrift

Ondanks de toepassing van de juiste trainingsmethodieken kan het voorkomen dat de hond grotendeels blijft werken in zijn buitdrift. De reden hiervoor kan zijn dat de hond gewoonweg genetisch te kort schiet in zijn verdedigingsdrift en zijn sociale agressie. En wat niet genetisch aanwezig is kun je niet ontwikkelen. Wat men vaak hierbij storend vindt is de wijze van bewaking. Ik heb al beschreven dat de toon van het aanblaffen in de bewaking in buitdrift anders is dan wanneer de hond bewaakt met een sociale agressie. Daarnaast is een hond in buitdrift vaak te erg gefocust op de buit, in dit geval dus de mouw. De hond heeft in dit geval totaal geen oog voor de pakwerker maar blaft heel duidelijk de mouw aan. Om dit beeld enigszins weg te poetsen kan de volgende truc werken. De theorie achter de truc is dat de hond zich niet blind focust op één buit als er een keuze uit meerdere opties. Men laat daarom in dit geval de pakwerker twee bijtmouwen aantrekken. Blaft de hond in de bewakingsfase de rechter bijtmouw aan dan wordt hij met de linkerarm opgenomen. Blaft hij links aan dan wordt hij met de rechterarm opgenomen. We gaan met deze therapie door totdat de hond mogelijk het punt bereikt hij niet meer kan kiezen voor een bepaalde bijtmouw in de bewakingsfase en gaat kiezen voor de persoon die de bijtmouw activeert, de pakwerker dus.

Mocht deze truc lukken dan moeten we ons zelf niet voor de gek houden en denken dat de hond in zijn bewaking is gaan werken in sociale agressie. De hond zit nog steeds volledig in zijn buitdrift alleen proberen we dit een beetje te verbergen!



10.7.19 Bewakingsproblemen

Bij een hond in de bewakingsfase wil men nog eens zien dat hij wat schuin t.o.v. de pakwerker zit aan te blaffen of bewaakt. Zit de hond schuin richting de elleboog van de pakwerker dan is dit vaak een vermijdgedrag t.o.v. de dreigende hand van de pakwerker, de hand waar de stok dus in zit. Het is hier dus zaak de hond sterker te laten worden t.o.v. deze dreiging. Daarnaast kan men om een eventueel gewoonte gedrag te voorkomen of te doorbreken v.w.b. het dergelijk schuin zitten in de bewakingsfase de pakwerker ook in dit geval twee bijtmouwen aan laten trekken. Door de hond nu vanuit de bewakingsfase afwisselend met de linkerarm of rechterarm op te nemen kan men mogelijk bewerkstelligen dat de hond rechter voor de pakwerker gaat bewaken.

Wat men ook wel ziet dat de hond in de bewakingsfase zich men of meer afwendt van de geleider en daardoor wat schuin zit voor de pakwerker. Hier moet de oplossing worden gezocht in de vertrouwensrelatie tussen de geleider en de hond.

Als het schuin zitten voor de pakwerker in de bewakingsfase ook nog tot gevolg heeft dat de hond op de punt of de elleboog van de mouw inbijt bij opnemen, kunnen eventueel ook de hiervoor al genoemde opzetstukken op de mouw gebruikt worden. Let wel. Het is dan wederom een middel om een gewoontegedrag voor te zijn of te doorbreken, het bestrijden van symptomen dus. Daarnaast moet altijd de oorzaak van het probleem onder handen genomen worden.

Buiten het wat schuin zitten voor de pakwerker gedurende de bewakingsfase als gevolg van een reactie op de geleider kan de hond hierbij mogelijk ook nog gaan (om)kijken naar de geleider. Ook hier is weer de hoofdregel om de oorzaak van dit gedrag weg te nemen.

Daarnaast kan één van de volgende bekende trucjes van hulp zijn om de symptomen te bestrijden.

De eerste truc luidt als volgt. Kijkt de hond in de bewakingsfase om of valt de bewaking op enige andere wijze weg dan kan men de hond op dat moment laten opnemen door de pakwerker. De oplettendheid van de hond op de pakwerker kan hiermee vergroot worden. Echter sluipt er in de praktijk met deze methode vaak een ander probleem naar voren. Er zijn honden die heel snel door hebben… als ik omkijk wordt ik beloond! Dit is uiteraard niet de bedoeling. Mocht dat met deze truc daadwerkelijk gaan gebeuren dan behoort men direct over te schakelen op nu volgende tweede truc.

Deze tweede truc gaat er vanuit dat de geleider zich al naast de hond bevindt voordat de hond in zijn bewakingsfase gebracht wordt. Dit houdt dus in de praktijk in dat of de geleider al bij het aanblaf verstek is voordat de hond er is of de geleider al naast zijn hond bevindt voordat het commando los gegeven wordt. Wordt de hond dan in de bewakingsfase gebracht met de geleider naast hem dan is het de taak van de geleider de hond het vertrouwen te geven dat alles in orde is en vandaar uit correct gaat bewaken. Alleen als de bewaking correct is, hoe kort dan ook in het begin, wordt de hond opgenomen door de pakwerker. Deze methode heeft twee sterke kanten. Ten eerste zal de hond minder snel in het vermijden vallen t.o.v. de geleider daar deze niet in kom lopen op de hond omdat deze zich al naast de hond bevindt. Ten tweede wordt de hond alleen beloond voor correct gedrag. Het vervolg van het verhaal luidt als volgt. Valt de hond in de loop van de trainingen direct correct in de bewakingsfase met de geleider naast hem dan stapt de geleider vanuit deze correcte bewaking een aantal passen van zijn hond weg en laat men de hond opnemen door de pakwerker. Gaat dit goed dan is de volgende fase dat de geleider zich enkele passen verwijdert van de hond in correcte bewakingsfase, direct weer terug stapt naar zijn hond en hem beloond en hem direct daarna laat opnemen door de pakwerker. Werkt deze methodiek naar wens dan bouwt men het geheel verder uit. Men laat de hond dan bijvoorbeeld lossen met de geleider op een meter en deze inlopen op de hond, de geleider verwijdert zich verder van de hond in bewakingsfase etc. Mijn gaat dus alle mogelijke varianten toepassen waarbij de afstand tot de hond steeds groter gemaakt wordt.


Een belangrijke algemene tip die ik hier plaats luidt als volgt. De meeste oefeningen die aangeleerd moeten worden of problemen die opgelost moeten worden behoren te geschieden door beginnen te werken vanuit de positie dat een oefening eindigt. Het is in de regel de meest beste te onderbouwen methodiek om toe te passen in aanleerfasen en bij het oplossen van ontstane problemen. Het bovenstaande bewakingsprobleem is hiervan één van de bewijzen. Hier is normaliter de aansluiting van de geleider naast zijn hond in bewakingsfase, die kort daarvoor heeft moeten lossen, het einde van een bepaalde oefening. Vanuit het al aanwezig zijn van de geleider naast zijn hond voordat deze in de bewakingsfase werd gebracht is het probleem systematisch opgelost.


10.7.20 Enkele slotopmerkingen

Betreffende het gebruik van de zweep.
Indien een hond gedurende het manwerk wordt gejut met gebruik­making van een zweep, dan behoord men er rekening mee houden dat de zweepknal veel overeen komt met de pistoolschoten zoals deze gelost dienen te worden gedurende het appèl. Reacties op een pistoolschot gedurende het appèl kan dus voortvloeien uit het feit dat een zweep gebruikt wordt gedurende het manwerk. Deze reactie komt dus niet voort uit een angstmotief bij de hond, maar kan wel als zodanig uitgelegd worden door een keurmeester. Men dient een eventuele reactie op het pistool­schot gedurende appèltrainingen te controleren voordat men aan een examen deel gaat nemen waarbij gescho­ten zal worden. Overigens zal de hond, naar enige aandacht voor dit probleem, snel het verschil in toon waarnemen en dus gedurende het appèl geen reac­tie op pistoolschoten meer tonen.


Betreffende exact het examen/wedstrijd programma doorlopen gedurende trainingen.
Doe dit niet, of in iedere geval niet veel. Doordat de hond, omdat men veel het exacte programma doorloopt bij trainingen, in gaat spelen op wat er gaat komen, zal bijvoorbeeld de bewaking minder kunnen worden. Beter is het programma in volledig van elkaar los staande onderdelen uit te voeren. In de praktijk kan dit er als volgt uitzien.

-Hond blaft de pakwerker aan in het verstek, geleider loopt in... maar gaat over tot het omcirkelen van het verstek, hond mag buitmaken. Als vervolgens de mouw door de hond is afgegeven, gaat de pakwerker terug in het verstek staan en de gelei­der met de hond aan de voet op een hoek van het verstek staan (situatie na het uitroepen), waarna vervolgens de geleider de pakwerker opdracht geeft uit het verstek te komen en zich dus voorbereid voor een vluchtoefening.

-Hond heeft gelost of is gerevierd naar de pak­werker (niet in verstek staande), hond zit aan te   blaffen, gelei­der loopt in, gaat niet over tot een zijtransport maar loopt kort langs de hond tot   circa vijf meter voorbij de pakwerker, hond mag buitma­ken. Als vervolgens de mouw door de   hond is afgegeven, gaat de pak­werker voor de hond en geleider staan waarna men vervolgens over gaat tot rug- of zijtransport.

-Het tussendoor gaan toepassen van "drift - dwang - drift/driftbevredigingsoefeningen"

Betreffende het gebruik van lijnen.
Men moet rekening houden dat lijnen bij bijvoorbeeld overval­len uit rugtranssport of het afstandstellen, de hond en pakwerker kan hinderen. Indien de trainingsopbouw het toe laat, is een kort lintje van ongeveer twintig centimeter aan de halsketting van de hond erg praktisch. Men heeft geen last van een lijn en toch iets om de hond snel te kunnen grijpen.



Betreffende het plotseling optreden van problemen.

Bij het plotseling optreden van problemen zoals het sterk afremmen bij het afstandstellen, niet vol bijten, slechte bewa­king e.d., dient men er rekening mee te houden dat deze mogelijk veroorzaakt kunnen zijn bij de vorige training! M.a.w. gemaakte fouten kunnen zich ook later openbaren.

Betreffende het gebit van de hond.
Het mag duidelijk zijn dat manwerk extra slijtage geeft aan het gebit van de hond. Wat meestal het eerst opvalt, zijn afgesleten punten van de hoektanden, maar ook de kiezen kunnen flink afgevlakt raken. De snelheid waarmee een gebit slijt is voor elke hond anders en is afhankelijk van de hardheid van de tanden.

Het is echter een feit dat gebruik van bijtmouwen met een schone overtrek minder slijtage aan het gebit zal geven dan gebruik van mouwen met een overtrek vol met zand e.d.

Schoon bijtmateriaal bespaart dus het gebit van de honden!


10.8 Het gebruik gaan maken van een elektronische dressuurband

                                                                                                                                 
Als het respect van de hond voor de geleider bij het manwerk verloren is gegaan gaat men vaak over tot het gebruik van een elektrische dressuurband. Dit is in de regel op dat moment voor de hond de meest humane oplossing van de problemen. Echter voordat men nu verder leest behoort men er van overtuigt te zijn het hoofdstuk “communicatie en hoe honden leren” van dit werkstuk begrepen te hebben. In het bijzonder verwijs ik hierbij terug naar de in dat hoofdstuk beschreven wetten v.w.b. het gebruik van elektronische dressuurmiddelen en de introductie hiervan.

Heel bewust herhaal ik hier het volgende. Ik wijs er op dat er een wezenlijk verschil kan zitten op de betekenis van een elektronische stimulans voor de hond, want het doel bij het appèl kan mogelijk anders zijn dan bij het manwerk. Zaak dus de betekenis van de elektronische stimulans altijd duidelijk te maken en te houden! De hond mag hierbij niet in verwarring worden gebracht.


10.8.1 Wat is eigenlijk het probleem dat we hebben?

De hond werkte altijd zeer correct maar is op een bepaald moment bijvoorbeeld toch gaan inbijten bij het stellen in het verstek en of wil niet meer correct lossen op commando en of is gaan nabijten na naar het lossen e.d. Corrigerende maatregelen van de geleider neemt de hond steeds vaker voor lief en valt terug in zijn ongewenst gedrag.
In de praktijk zijn dit meestal de redenen dat men gebruik wil gaan maken van elektronische hulpmiddelen. Maar dit zullen echter niet de werkelijke problemen zijn, maar slechts een uitvloeisel van de hoofdoorzaak. En deze hoofdoorzaak is het ontstaan van een gebrek aan respect van de hond voor de geleider. Zo zal een probleem van bijvoorbeeld het niet meer willen lossen waarschijnlijk niet op zich zelf staan, maar zullen daarnaast ook andere problemen met het appèl gedurende het manwerk zich openbaren. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het uitroepen bij het verstek, het rugtransport en dergelijke appèloefeningen. Ook hier zal de hond aan respect ingeleverd hebben. Ongehoorzaamheid is dus het symptoom, de oorzaak van het symptoom is het verlies aan respect.


10.8.2 Hoe is dit probleem ontstaan

Als de hond is opgebouwd volgens het principe zoals deze omschreven staat bij het theoretische en praktisch deel van dit hoofdstuk manwerk, dan zal grotendeels het volgende gebeurd moeten zijn.


-De hond is alle aspecten van het programma goed aangeleerd, reageerde goed op de commando's van de geleider, voelde zich sterk t.o.v. de pakwerker en gebruikte de juiste driften gedurende zijn werkzaamheden bij het manwerk.

-De hond is gaan groeien in zijn karakter, corrigerende maatregelen van de geleider is hij voor lief gaan vinden. De belastbaarheid van de hond werd steeds groter.

De hond heeft hiermee bewezen uitstekend geschikt te zijn voor de africhtingsport en volwassen begint te worden.


10.8.3 Wat brengt deze wetenschap met zich mee

Het enige waarmee de hond weer op het goede spoor moet worden gezet is het terugwinnen van het respect (oorzaak) voor de geleider. Is men hierin geslaagd dan zullen appèl problemen gedurende het manwerk (de symptomen)in het gehele programma verdwijnen. Voor het overige mag en moet de hond verder doorgroeien in zijn karakter.

Dit alles geeft aan dat men in dit geval zich primair moet richten op de inzet van een elektronische dressuurband bij het appèlgedeelte van het manwerk. Dit zijn dus de momenten bij het manwerk dat de hond zich niet in een bijthandeling bevindt met de pakwerker! Men gaat de elektronische dressuurband dus niet primair inzetten bij de symptomen: niet willen lossen, nabijten na het lossen e.d.

Hiermee blijft ook het principe overeind dat men altijd gebruik moet maken van de juiste driften van de hond en correcties alleen maar afkomstig mogen blijven komen van de geleider. Anders geformuleerd, de hond kan in zijn buitdrift gehouden worden en zal daardoor geen vermijdgedrag gaan tonen t.o.v. de pakwerker!


10.8.4 Correcte introductie van de elektronische dressuurband

De eerste elektronische correcties dienen te worden toegepast op een moment dat de hond niet met de pakwerker bezig is in de vorm van bijten of bewaking. Dit dus om in de ogen van de hond enige connectie: (elektronische) correctie ? pakwerker te voorkomen. Verstandig is het ook het moment van het toedienen van de eerste elektronische correcties niet te kiezen in de omgeving van het aanblafverstek. Zo zijn het rugtransport, het oplopen voor het innemen van de positie bij het afstandstellen en de periode van het wachten voor het mogen gaan voor het afstandstellen, prima momenten voor de eerste keren van gebruik.
De daadwerkelijke uitvoering kan er als volgt uitzien. We gaan hierbij vanuit dat de hond een (prik)halsketting om heeft en hieraan is aangelijnd en tevens een elektronische dressuurband om heeft.

A)Men is bezig met het rugtransport en de hond dringt voor. Nu moet als correctie voor het voordringen een ruk aan de (prik)halsketting gegeven worden, met tegelijkertijd een verbale correctie en een stroomstoot. (Lees wat dit betreft nog eens het hoofdstuk “communicatie en hoe honden leren”!) Deze stroomstoot dient gegeven te worden zoals een correctie m.b.v. een halsketting gegeven dient te worden, namelijk kort en krachtig (=een impuls). Indien de hond daarna correct volgt bij het rugtransport wordt deze uiteraard door de geleider beloond.

En of

B)Men is met de hond op weg naar de plaats vanaf waar het afstandstellen plaats zal gaan vinden. Indien de hond niet correct wil volgen en of allemaal om wil kijken waar de pakwerker naar toe gaat, volgt de zelfde wijze van correctie als bij A)

En of

C)Indien de hond ook nog moeite heeft om te wachten op het commando "stellen bij het afstandstellen kan hier wederom op dezelfde wijze corrigerend worden opgetreden.

Het is natuurlijk in deze fase natuurlijk verstandig om problemen zoals het niet willen lossen te vermijden. Dit door de hond gewoon niet op commando te laten lossen maar de mouw gelijk na het inbijten te laten winnen.

Pas als de elektronische dressuurband vele malen op hiervoor beschreven wijze is gebruikt en men er van overtuigt is dat de hond de stroomstoot ervaart als zijnde een "nieuwe super correctie” van de geleider dan kan men de mechanische correctie met de halsketting achterwege gaan laten en alleen de combinatie verbale correctie en stroomstoot gaan gebruiken.

De stroomstoot heeft nu dezelfde functie gekregen als een mechanische correctie. Hiermee is ook het moment aangebroken om de hond weer te laten lossen op commando. Men zorgt ervoor dat men op dat moment op niet meer dan twee meter van de hond is verwijderd. Mocht het nodig zijn dan kan men nu de elektronische dressuurband gaan inzetten als correctie voor bijvoorbeeld het niet willen lossen, nabijten etc. Maar vergeet niet, er moet altijd een commando van de geleider over het gewenste vooraf gaan en dan pas direct daarna mag er een eventuele noodzakelijke stroomstoot volgen indien het commando niet opgevolgd werd. De correctie kan voor de hond hierdoor gekoppeld blijven met de geleider en blijft de pakwerker wat dit betreft buiten de verdenkingen. Uiteraard is het belangrijk na een elektronische correctie de hond snel te kunnen belonen voor juist gedrag. Zo kan men bijvoorbeeld nadat een elektronische correctie nodig was bij het lossen, de hond aanmoedigen om aan te blaffen zodat hij beloond kan worden d.m.v. buitmaken.

Ook correcties met een elektronische dressuurband voor het willen uitbreken bij het revieren of voor overmatig blaffend protest met omkijken tijdens het revieren kunnen pas worden toegepast als de koppeling: correctiestroomstoot ? geleider is bewerkstelligd. Zou deze koppeling nog niet aanwezig zijn dan kan de hond zeer ongewenst reageren op de pijnprikkels die, in de ogen van de hond, dan mogelijk vanuit de grond komen, de lucht, een verstek.....?????


10.8.5 Wat we in de praktijk zeker niet moeten doen

Elektronische dressuurbanden zodanig gebruiken dat de hond denkt dat de correcties met dit materiaal afkomstig zijn van de pakwerker. De gevolgen zullen zijn:


-De hond zal met het reactieve gebied van zijn agressiedrift (verdedigingsdrift) moeten gaan werken. Een gevecht waarbij de hond nooit echt als winnaar uit de bus kan komen.

-Dat we de hond dan dus uit zijn buitdrift gehaald hebben en vermijdgedrag bij de hond oproepen  ten opzichte van de pakwerker.

-Dat aan de oorzaak van het probleem van het niet meer willen lossen, het nabijten etc, wat dus  het gebrek aan respect voor de geleider is, niets wordt gedaan.

-De hond zal alleen maar respect krijgen voor de pakwerker, want in de ogen van de hond is het  de pakwerker die bepaald hoe er gewerkt wordt. En dit brengt weer met zich mee dat het correct werken van de hond afhankelijk kan worden van wie hij als pakwerker voor hem heeft staan. Een nieuw gezicht voor hem in het pak, bijvoorbeeld op een wedstrijd, kan voor de hond een reden zijn gelijk terug te vallen in het weigeren van het moeten lossen etc.!! Het doen en laten van de hond is dan dus pakwerker afhankelijk geworden, een situatie waarover ik eerder in dit hoofdstuk manwerk heb geschreven.

En ik herhaal het nog eens. Om te voorkomen dat de hond het gebruik van de elektronische correctie gaat koppelen aan de pakwerker mag men dus nooit de eerste toepassing van de elektronische dressuurband gaan uitvoeren bij het inbijten in het verstek, het lossen of het nabijten na het lossen etc. Zeker als hier dan ook nog een mondelinge correctie van de geleider achterwege blijft is de koppeling: correctie ? pakwerker onvermijdelijk. Beelden op evenementen als van het sterk naar achter schietende honden bij het lossen zijn het gevolg.
                   

10.8.6 De correctie wordt anders toegepast, trainingstechnisch hoeft er verder niets te veranderen

Als de introductie van de elektronische dressuurband goed is uitgevoerd hoeft er aan de verdere trainingsmethode niets te veranderen. Immers wat er nu alleen maar verandert is dat men doorkomt met een eventuele nodige correctie, m.a.w. de hond heeft weer respect voor de geleider. Verstandig is wel de elektronische dressuurband altijd om te doen bij het manwerk, ook als men zelden meer het daadwerkelijk moet activeren gedurende de trainingen. Want juist die enkele keer dat het gebruik nodig is een daadwerkelijk gebruik een MUST!

Koppel het gebruik van de elektrische dressuurband niet aan één enkele oefening of commando. De elektrische correctie moet een “algemene correctie” zijn.


10.8.7 Een breder gebruik van de elektrische dressuurband dan alleen voor een correctie

Na een correcte introductie van de elektrische dressuurband kan de band op trainingstechnisch vlak over een breed gebied ingezet worden. Bij het manwerk zou men het bewerkstelligen van een complete harmoniering in het functioneringsgebied kunnen uitvoeren m.b.v. een elektrische dressuurband. Hierbij zou men de dwangactivering kunnen uitvoeren met een zeer zwakke elektrische impuls in plaats van een mechanische inwerking met een (prik)halsketting.Het voordeel hierbij t.o.v. het gebruik van een(prik)halsketting is dat het geheel met veel meer rust, beter gedoseerd en met een betere timing in de praktijk gebracht kan worden. Er is dus technisch beter te werken en voor de hond met veel minder pijnprikkels. Het is wel uitermate belangrijk dat de betekenis van de elektronische stimulans altijd duidelijk te maken is! De hond mag niet in verwarring worden gebracht. Wil men een dwangactivering dan moet door onbegrip bij de hond geen vermijden ontstaan. Variatie in intensiteit bij de verschillende toepassingen zal noodzakelijk zijn. Zo zal voor conditionering, voor het verkrijgen van (oog)contact en dwangactivering een zeer lichte prikkel gebruikt moeten worden, voor het niet of niet correct willen lossen een intensievere prikkel.

Is de hond in een complete harmoniering gebracht dan kan er bij een verkeerd gebruik van dergelijke banden een situatie ontstaan dat de hond door een stroomstoot te hoog in drift wordt gebracht. Een situatie die men dus nu juist absoluut niet wou hebben, want een hond te hoog in drift is niets te leren. Mocht deze situatie toch ontstaan dan kan men het beste de hond in een absoluut passief vermijden brengen, m.a.w. men legt de hond af en laat hem tot absolute rust komen.Het zogenaamde “door de stroomstoot heen gaan/groeien” kan hiermee voorkomen worden.

Ik heb het al eerder aangegeven maar omdat het hier zo relevant is herhaal ik het. Elektronische dressuurbanden moeten absoluut niet worden gebruikt bij trainingen als er spraken is van een duidelijk vermijdgedrag van de hond t.o.v. de geleider. Primair behoort dan eerst deze verstoorde relatie geoptimaliseerd te worden. Verzuimt men hierin dan zullen er onherroepelijk grote communicatie problemen ontstaan tussen de geleider en de hond. Daarnaast zal de hond onder zeer grote stress gebracht worden. Zo zal bijvoorbeeld een combinatie van een verstoorde relatie, dwangactivering en het gebruik van een elektronische dressuurband hierbij, ongekende hoge stress bij de hond teweeg brengen zonder gewenst resultaat.Het spanningsveld tussen de geleider en de hond staat er dan gewoonweg als een blokkade voor een succesvolle inzet van elektronische hulpmiddelen. Het gebruiken van elektronische hulpmiddelen voor het oplossen van verstoorde relatieproblemen tussen hond en geleider is helemaal waanzin.


Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu